ECLI:NL:RBDHA:2024:14403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 augustus 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
SGR 24/1470
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet goed verhuurderschapHuisvestingsverordening Krimpenerwaard 2021Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar discriminatie woningcorporaties

Eiser diende meerdere klachten in over vermeende discriminatie door woningcorporaties QuaWonen en Groen Wonen bij woningtoewijzing, waarbij ongeschreven regels zouden worden gehanteerd. Verweerder reageerde op 11 december 2023 met een brief waarin werd gesteld dat het verstrekken van een oud-verhuurdersverklaring geen vereiste is volgens de Huisvestingsverordening en dat verweerder niet bevoegd is tot handhaving.

Eiser maakte bezwaar tegen deze brief, maar verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro betreft. De rechtbank behandelde het beroep op 30 juli 2024, waarbij eiser niet verscheen ondanks correcte oproeping.

De rechtbank oordeelt dat de brief slechts een reactie op een klacht is en geen besluit met rechtsgevolg. De klachten van eiser zijn niet aan te merken als een handhavingsverzoek. Bovendien is verweerder niet bevoegd om handhavend op te treden tegen woningcorporaties op grond van de Huisvestingsverordening en de Wet goed verhuurderschap.

Daarom is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn op 13 augustus 2024.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1470

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, verweerder

(gemachtigde: mr. Zwanenburg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar.
1.1.
Verweerder heeft op 11 december 2023 een brief aan eiser gestuurd in reactie op een door hem ingediende klacht. Met het bestreden besluit van 17 januari 2024 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De vooraankondiging van de zitting is op 13 juni 2024 aan eiser gestuurd en niet retour gekomen. De uitnodiging voor de zitting is aangetekend naar het laatst bekende adres van eiser gestuurd op 28 juni 2024. Op 30 juli 2024, de dag van de zitting, is de uitnodiging retour gekomen omdat eiser het aangetekend schrijven niet heeft afgehaald. Hiervan heeft de rechtbank na de zitting kennis gekregen. Het was hierdoor voor de rechtbank niet mogelijk om de uitnodiging nog voor de zitting ook per reguliere post te sturen. Uit de basisregistratie personen is gebleken dat eiser nog op hetzelfde door hem opgegeven adres woonachtig is.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft bij verweerder meerdere klachten ingediend over door hem ervaren discriminatie van twee woningcorporaties. Volgens eiser wordt onterecht onderscheid gemaakt bij de woningtoewijzing door deze woningcorporaties, omdat zij bij bepaalde mensen vragen om een oud-verhuurdersverklaring.
3. Verweerder heeft op 11 december 2023 met een brief gereageerd op de door eiser ingediende klachten. Volgens verweerder is het verstrekken van een
oud-verhuurdersverklaring geen vereiste dat op grond van de Huisvestingsverordening Krimpenerwaard 2021 (hierna: de Huisvestingsverordening) wordt gesteld om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning. Verweerder is daarom niet bevoegd om handhavend op te treden. Bij klachten over de woningcorporaties moet eiser zich tot deze organisaties wenden en als hij meent dat deze organisaties onrechtmatig handelen kan eiser zich wenden tot de civiele rechter.
4. Eiser heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit bezwaar niet-ontvankelijk is, omdat de brief van 11 december 2023 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb [1] .
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en wil dat de gemeente handhaaft op artikel 2 van Pro de Wet goed verhuurderschap en/of artikel 5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. De woningcorporaties QuaWonen en Groen Wonen [plaatsnaam] hanteren voor bepaalde mensen ongeschreven regels bij woningtoewijzing. Zij vragen potentiële huurders om naast een verhuurdersverklaring ook een oud-verhuurdersverklaring over te leggen, maar maken deze regel niet openbaar. Zolang de woningcorporaties gebruik maken van ongeschreven regels, kan niet gesproken worden van een heldere en transparante selectieprocedure. De woningcorporaties overtreden hiermee de Wet goed verhuurderschap en het is de taak van verweerder om deze wet te handhaven. Uit de website van verweerder blijkt dat verweerder vindt dat de wet niet geldt voor woningcorporaties. Verweerder stelt onderzoek te hebben gedaan en stelt dat er geen sprake is van discriminatie, maar weigert eiser de stukken te laten zien waar zij dit op baseren. Eiser vraagt zich af op welke grondslag de gemeente onderzoek heeft gedaan, nu het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank kan alleen een oordeel vellen over het bestreden besluit zoals dat door verweerder genomen is. De rechtbank zal daarom in deze zaak alleen een oordeel vellen over de vraag of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. Dit betekent dat de rechtbank niet inhoudelijk in zal gaan op de vraag of de werkwijze van de woningcorporaties discriminerend is en of verweerder gelet daarop heeft moeten handhaven. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder het bezwaar niet niet-ontvankelijk had mogen verklaren, dan zal de rechtbank verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen waarbij hij inhoudelijk in moet gaan op eisers argumenten. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder het bezwaar wel niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren, dan blijft het bestreden besluit in stand.
7. De rechtbank oordeelt dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De brief die op 11 december 2023 aan eiser is gestuurd, is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De brief is namelijk een reactie op klachten die door eiser zijn ingediend, en is niet gericht op een rechtsgevolg. Dit zou anders zijn wanneer de klachten van eiser gezien zouden moeten worden als een handhavingsverzoek aan verweerder, omdat een reactie op een handhavingsverzoek wel een besluit is in de zin van de Awb. Maar de door eiser ingediende klachten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als een handhavingsverzoek aan verweerder. Eiser heeft zijn bericht namelijk zelf bestempeld als ‘klacht’, heeft enkel gesteld dat de woningcorporaties discrimineren maar heeft hierbij niet aan de gemeente verzocht om hier tegen op te treden. Pas in bezwaar heeft eiser aangegeven dat hij wil dat verweerder handhaaft op basis van de Wet goed verhuurderschap.
7.1.
Overigens merkt de rechtbank op dat verweerder in de brief van 11 december 2023 terecht gesteld heeft dat hij niet bevoegd was om handhavend op te treden op grond van de Huisvestingsverordening, omdat hierin geen bepaling staat over discriminatie. Ook heeft verweerder op de website bij het meldpunt goed verhuurderschap terecht vermeld dat een klacht over een woningcorporatie gemeld moet worden bij de woningcorporatie zelf. Een woningcorporatie is namelijk geen verhuurder in de zin van de Wet goed verhuurderschap. In artikel 1 van Pro de wet is namelijk bepaald dat onder de term ‘verhuurder’ in de zin van deze wet wordt verstaan een verhuurder niet zijnde een toegelaten instelling of een dochtermaatschappij. Deze termen zien op een woningcorporatie.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.