Verzoeker, een vreemdeling met Marokkaanse nationaliteit, kreeg tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming vanwege de situatie in Oekraïne. Verweerder beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 omdat verzoeker tussen 13 maart en 28 april 2024 in Marokko verbleef. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker redelijkerwijs mocht aannemen dat hij geen recht meer had op tijdelijke bescherming en daarom zijn ernstig zieke vader in Marokko bezocht. De rechter stelde vast dat het besluit van verweerder mogelijk onrechtmatig is en dat verzoeker niet terecht is uitgesloten van de bescherming. Hierdoor is het vertrek naar Marokko verschoonbaar.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om griffierechtvrijstelling toe en oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig is vanwege de onzekerheid over verblijf en opvang. De voorlopige voorziening werd toegewezen: het besluit werd geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar, verzoeker wordt behandeld als tijdelijk beschermde en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €875.
De uitspraak is gedaan op 10 september 2024 en is bindend tot de bodemprocedure. Hoger beroep of verzet is uitgesloten.