ECLI:NL:RBDHA:2024:14455
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingrechtelijke bewaring na strafrechtelijke bewaring
Eiser, van Ghanese nationaliteit, is sinds 27 maart 2024 in vreemdelingrechtelijke bewaring, voortvloeiend uit een strafrechtelijke bewaring. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 28 juni 2024, het moment waarop het vorige onderzoek werd gesloten. Eiser voerde aan dat hij feitelijk langer dan zes maanden gedetineerd is en dat er geen zicht is op uitzetting, mede vanwege het ontbreken van een laissez-passer (LP) van de Ghanese autoriteiten en onvoldoende voortvarendheid van verweerder.
De rechtbank oordeelde dat de eerdere strafrechtelijke detentie niet betrokken hoeft te worden bij de beoordeling van het voortduren van de vreemdelingrechtelijke bewaring. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat drie maal is gerappelleerd op de LP-aanvraag en dat er twee vertrekgesprekken zijn gevoerd, waarbij eiser zijn medewerking aan terugkeer weigerde. Er is geen concreet bewijs dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingrechtelijke bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.