ECLI:NL:RBDHA:2024:14455

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 september 2024
Publicatiedatum
11 september 2024
Zaaknummer
NL24.34303
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingrechtelijke bewaring na strafrechtelijke bewaring

Eiser, van Ghanese nationaliteit, is sinds 27 maart 2024 in vreemdelingrechtelijke bewaring, voortvloeiend uit een strafrechtelijke bewaring. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 28 juni 2024, het moment waarop het vorige onderzoek werd gesloten. Eiser voerde aan dat hij feitelijk langer dan zes maanden gedetineerd is en dat er geen zicht is op uitzetting, mede vanwege het ontbreken van een laissez-passer (LP) van de Ghanese autoriteiten en onvoldoende voortvarendheid van verweerder.

De rechtbank oordeelde dat de eerdere strafrechtelijke detentie niet betrokken hoeft te worden bij de beoordeling van het voortduren van de vreemdelingrechtelijke bewaring. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat drie maal is gerappelleerd op de LP-aanvraag en dat er twee vertrekgesprekken zijn gevoerd, waarbij eiser zijn medewerking aan terugkeer weigerde. Er is geen concreet bewijs dat het zicht op uitzetting ontbreekt.

Daarom is het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingrechtelijke bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34303

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 9 september 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Ghanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1989.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 juli 2024 (in de zaak NL24.25537) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 28 juni 2024), rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Ter onderbouwing van zijn beroep voert eiser aan dat hij al lange tijd in bewaring zit, nu zijn vreemdelingrechtelijke bewaring is gevolgd op zijn strafrechtelijke bewaring. Hij is daarom feitelijk al langer dan zes maanden gedetineerd. Verweerder had daarom een duidelijke belangenafweging moeten maken op grond waarvan de bewaring desondanks kan voortduren. Daarnaast voert eiser aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat Ghana een LP zal afgeven. Ook handelt verweerder onvoldoende voortvarend. Het enkel rappelleren op een LP aanvraag en het voeren van vertrekgesprekken is onvoldoende om van voortvarendheid te kunnen spreken.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft eerder overwogen dat de Terugkeerrichtlijn, noch de considerans daarvan, aanknopingspunten biedt op grond waarvan moet worden aangenomen dat bij de beoordeling van de voortduring of verlenging van de maatregel van bewaring ook de onmiddellijk aan de ter beoordeling staande bewaringsmaatregel voorafgaande periode van aansluitende vreemdelingrechtelijke en strafrechtelijke detentie moet worden betrokken. [1] Ter beoordeling ligt op dit moment dus uitsluitend het voortduren van de maatregel van bewaring van 27 maart 2024.
6. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat niet langer sprake is van zicht op uitzetting. Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in het voorgaande vervolgberoep drie maal is gerappelleerd op de LP-aanvraag bij de Ghanese autoriteiten. Het is niet gebleken dat deze autoriteiten geen LP zullen afgeven.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Sinds het sluiten van het onderzoek op 28 juni 2024 heeft verweerder drie keer gerappelleerd op de aanvraag voor een LP bij de Ghanese autoriteiten en hebben er twee vertrekgesprekken plaatsgevonden op 11 juli en 15 augustus 2024. Uit de verslagen van deze gesprekken blijkt bovendien dat eiser elke vorm van medewerking aan zijn terugkeer weigert. Eiser kan het uitzettingstraject zelf bespoedigen door zijn medewerking te verlenen, wat hij verzuimt.
8. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraak van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1336.