ECLI:NL:RBDHA:2024:14484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
NL24.29665
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 DublinverordeningVerordening 604/2013
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser, een Gambiaanse nationaliteit dragende persoon, heeft op 20 februari 2024 asiel aangevraagd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Dit is vastgesteld na onderzoek in Eurodac en een verzoek tot terugname dat door Duitsland is geaccepteerd.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland niet langer geldt vanwege gebreken in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, alsmede vanwege zijn medische klachten en onvoldoende behandeling in Duitsland. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom het vertrouwensbeginsel niet zou gelden en dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser in Duitsland geen adequate medische zorg kan ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat eiser gedurende zijn verblijf in Duitsland medische zorg heeft ontvangen, waaronder een ziekenhuisopname van tien maanden, huisartsbezoeken en specialistische verwijzingen. Er is geen bewijs dat Nederland het meest aangewezen land is voor zijn medische behandeling. Indien eiser meent dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, dient hij dit in Duitsland aan te vechten.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet zij geen aanleiding tot proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29665

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn medisch dossier over te leggen. Verweerder is vervolgens de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
Op 29 augustus 2024 heeft eiser het medisch dossier overgelegd. Verweerder heeft hier op 2 september 2024 op gereageerd.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1973 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 20 februari 2024 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Dublinverordening [1] . Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 april 2019 al in Duitsland om internationale bescherming heeft verzocht. Nederland heeft op grond hiervan op 10 april 2024 een verzoek tot terugname verstuurd aan de Duitse autoriteiten. Op 11 april 2024 heeft Duitsland het verzoek geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland vast staat.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan gelet op de gebreken in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser heeft medische klachten en is hiervoor niet deugdelijk behandeld in Duitsland.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet vanuit kan worden gegaan. Eiser is daar niet in geslaagd reeds nu hij zijn stellingen over gebreken in de asielprocedure en opvangvoorzieningen niet nader heeft toegelicht en onderbouwd.
5. Ten aanzien van de medische klachten van eiser is niet gebleken dat eiser in Duitsland geen medische zorg kan krijgen. Zo heeft hij verklaard dat hij gedurende zijn asielprocedure in Duitsland ziek is geweest en 10 maanden in het ziekenhuis heeft gelegen. [2] Ook is hij gezien door een huisarts en doorverwezen naar een specialist. [3] Daarbij zijn geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. Niet is gebleken dat eiser een medische behandeling nodig heeft die hij alleen in Nederland kan krijgen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de noodzakelijke medische zorg voor eiser beschikbaar is in Duitsland. Indien eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Duitsland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening 604/2013.
2.Rapport aanmeldgehoor Dublin, p. 6.
3.Rapport aanmeldgehoor Dublin, pp. 7-8.