ECLI:NL:RBDHA:2024:14497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
NL24.17130
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:55d AwbArt. 42 Vw
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet tijdig besluit en verlengde beslistermijn asielaanvraag

Eiser diende op 1 september 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat de minister niet tijdig een besluit nam, stelde eiser de minister op 3 april 2024 in gebreke en stelde op 18 april 2024 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De minister nam op 30 april 2024 alsnog een besluit en wees de aanvraag toe.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is geworden, omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen. Het beroep tegen het besluit zelf is ongegrond, aangezien de verlenging van de beslistermijn met negen maanden rechtsgeldig was op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de situatie zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder b.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 26 april 2023 waarin de verlenging van de beslistermijn door de minister werd bevestigd. Ondanks afwijkende oordelen van andere zittingsplaatsen, ziet de rechtbank geen reden om daarvan af te wijken. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser wegens de geldige ingebrekestelling en het tijdig ingediende beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 30 april 2024 ongegrond verklaard; de minister is veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17130

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal)
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.

Procesverloop

Eiser heeft op 1 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Eiser heeft op 18 april 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag, nadat hij de minister op 3 april 2024 in gebreke gesteld had.
De minister heeft bij besluit van 30 april 2024 de aanvraag ingewilligd.
Eiser handhaaft desgevraagd zijn beroep.
Door de minister is geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, sluit de rechtbank het onderzoek zonder nadere zitting en doet heden uitspraak.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. De rechtbank stelt vast dat deze termijn op het moment van instellen van het onderhavige beroep was verstreken, dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien meer dan twee weken zijn verstreken.
5. Op 30 april 2024 heeft de minister alsnog een besluit genomen op de aanvraag van eiser. Gelet hierop is er voor de rechtbank geen aanleiding om conform artikel 8:55d, van de Awb te bepalen dat de minister alsnog een besluit op het verzoek dient te nemen. Het beroep is, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
6. Het onderhavige beroep heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid van de Awb. Eiser stelt in zijn bericht van 2 mei 2024 dat hij het niet eens is met de verlengde beslistermijn die door de minister is gehanteerd. De minister heeft, met inwerkingtreding van het WBV 2022/22, de beslistermijn van asielaanvragen, waarop op 27 september 2022 nog niet was beslist, met negen maanden verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van haar meervoudige kamer van 26 april 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:6050) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2022/22 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. Dat andere zittingsplaatsen van deze rechtbank tot een ander oordeel over het WBV 2022/22 zijn gekomen maakt het niet anders. De verlenging van de beslistermijn is rechtsgeldig. Het beroep is, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, ongegrond.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten, nu de ingebrekestelling geldig is en het beroep is ingediend voordat het besluit van 30 april 2024 was genomen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 875,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 30 april 2024, ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
F.Q. Peters, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie
op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.