Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot opheffing van een voorlopige voorziening die de omgevingsvergunning voor het bouwen van een recreatiewoning schorst. Deze voorlopige voorziening was eerder getroffen vanwege onvoldoende motivering door het college om af te wijken van het bestemmingsplan en de adviezen van de commissie over de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie'.
Verzoekers stelden dat de wijziging van de Erfgoedverordening per 2020 leidde tot het vervallen van de welstandstoets buiten beschermde dorpsgezichten en dat daardoor de toetsing aan de dubbelbestemming wezenlijk anders moest worden beoordeeld. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de wijziging van de Erfgoedverordening geen gevolgen heeft voor het bestemmingsplan en dat het bouwplan nog steeds aan artikel 36.1 van het bestemmingsplan moet voldoen, inclusief de toetsing door de commissie op grond van artikel 36.2.
Hoewel verzoekers nieuwe stukken overleggen die niet in het oorspronkelijke dossier zaten, leidt kennis daarvan niet tot een ander oordeel. De voorlopige voorziening blijft daarom gehandhaafd. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.