ECLI:NL:RBDHA:2024:1485

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2024
Publicatiedatum
12 februari 2024
Zaaknummer
NL24.825
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 3 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden voor haar beroep heeft aangevoerd, ondanks een herstelmogelijkheid en een verzoek om alsnog beroepsgronden in te dienen. De gemachtigde van eiseres heeft zich teruggetrokken en er is geen opvolger gemeld.

De rechtbank beoordeelt vervolgens of er bijzondere omstandigheden zijn die een gedwongen overdracht naar Duitsland zouden verbieden op grond van artikel 3 EVRM Pro, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar van het EHRM, maar concludeert dat dit niet het geval is.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af wegens gebrek aan connexiteit. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de verblijfsvergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.825 (beroep) en NL24.826 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres/verzoekster], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),

V-nummer: [v-nummer]
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 januari 2024 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

2. Iemand die beroep instelt dient op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb [1] in het beroepschrift de gronden van het beroep te vermelden. Als hier niet aan wordt voldaan, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Eiseres heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift van 9 januari 2024. Op 17 januari 2024 heeft de gemachtigde van eiseres zich teruggetrokken. Er heeft zich geen opvolger gemeld. De rechtbank heeft eiseres om deze reden bij bericht in het digitale dossier van 25 januari 2024 verzocht om de gronden alsnog op uiterlijk maandag 5 februari 2024 in te dienen. Daarbij is aan eiseres medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Dit bericht is ook per brief naar het adres van eiseres gestuurd.
4. Eiseres heeft tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek geen beroepsgronden ingediend of laten indienen. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiseres sprake is van verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding. De rechtbank ziet daarom aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
5. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, slechts voor de vraag gesteld of het digitale zaakdossier aanleiding geeft om aan te nemen dat er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM [2] in de zaak Bahaddar tegen Nederland [3] . Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM [4] . Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval geen sprake.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Nu er op het beroep is beslist zal het verzoek om de voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een gebrek aan connexiteit.
7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
3.Uitspraak van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.