Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:14889

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 augustus 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
23/5270 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:16 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 54 lid 4 ParticipatiewetArt. 3 lid 2-5 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep opschorting en intrekking bijstandsrecht ongegrond verklaard

Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 29 mei 2024, waarin de rechtbank zijn beroep tegen de opschorting van zijn recht op bijstand niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep richtte zich op de opschorting van bijstand per 27 juni 2023 en de daaropvolgende intrekking van het recht op bijstand door het college van burgemeester en wethouders van Katwijk.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep tegen de opschorting feitelijk geen belang meer heeft, nu het recht op bijstand is ingetrokken met terugwerkende kracht tot de opschortingsdatum. Het verzet betoogde dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard had mogen worden omdat het intrekkingsbesluit nog niet onherroepelijk was vanwege een cassatieberoep bij de Hoge Raad.

De rechtbank oordeelt dat het cassatieberoep niet schorst en dat het beroep in cassatie zich beperkt tot specifieke wettelijke bepalingen die in deze zaak niet aan de orde zijn. Daarom blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de opschorting terecht. Het verzet wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de opschorting van het bijstandsrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5270 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2024 op het verzet van

[opposant], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2024 [2] in het geding tussen
opposant
en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk

(gemachtigde: R.G.W. Paulissen).

Inleiding

Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 mei 2024 [3] waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 29 mei 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [4] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
3. Het beroep van opposant ging over de opschorting van zijn recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 27 juni 2023. Het college heeft nadat het eisers recht op bijstand heeft opgeschort in het besluit van 14 augustus 2023 diens recht op bijstand op grond van de Pw, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw, met ingang van de opschortingsdatum van 27 juni 2023 ingetrokken. Het college heeft dat besluit na heroverweging in bezwaar gehandhaafd.
3.1.
Het daartegen ingestelde beroep heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank met de uitspraak van 22 december 2023 [5] ongegrond verklaard. In de uitspraak van 19 april 2024 [6] op het door eiser ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van 22 december 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
De uitspraak van 29 mei 2024
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat wanneer, zoals in eisers geval, een opschortingsbesluit is gevolgd door een, met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw, genomen intrekkingsbesluit, dat in rechte vaststaat, er in beginsel geen procesbelang meer is bij de inhoudelijke beoordeling van het opschortingsbesluit. Nu het college eisers recht op bijstand heeft ingetrokken met ingang van de opschortingsdatum, heeft het beroep tegen de opschorting geen feitelijke betekenis meer. De rechtbank heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De gronden van verzet
5. Opposant heeft als verzetsgrond aangevoerd dat de rechtbank bij haar oordeel dat eiser geen procesbelang meer had bij de inhoudelijke beoordeling van de opschorting van zijn recht op bijstand op grond van de Pw met ingang van 27 juni 2023 er niet van uit mogen gaan dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk was, nu opposant cassatie heeft ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB.
6. Deze verzetsgrond slaagt niet.
7. Het beroep in cassatie schorst niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat staat in artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb.
8. Bovendien is in een geval als dit slechts beroep in cassatie mogelijk bij de Hoge Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, en de daarop berustende bepalingen. Dat staat in artikel 80, eerste lid, van de Pw.
9. In artikel 3, tweede lid, van de Pw is geregeld wie mede als gehuwd of als echtgenoot wordt aangemerkt (a), en wie mede als ongehuwd wordt aangemerkt (b). In het derde lid van deze bepaling is geregeld wanneer sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het vierde lid geeft aan wanneer er in ieder geval een gezamenlijke huishouding geacht wordt aanwezig te zijn (onweerlegbaar rechtsvermoeden).
10. De uitspraak van de CRvB waartegen opposant cassatie heeft ingesteld heeft geen betrekking op de toepassing van artikel 3, tweede tot en met het vijfde lid, van de Pw. Het cassatieberoep kan daarom de bestreden uitspraak niet raken.

Conclusie en gevolgen

11. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 mei 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.zie voetnoot 2
4.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).