Eiser maakte bezwaar tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De minister had de bewaring opgeheven voordat de zaak werd behandeld, maar eiser handhaafde zijn beroep en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtsgeldig was ondertekend, maar dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet volstaan kon worden met een lichter middel. Eiser had tijdens het gehoor verklaard samen te wonen met zijn vrouw en zorg te dragen voor haar dochter, wat bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn die nader hadden moeten worden onderzocht en gemotiveerd.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van opleggen en kende een schadevergoeding toe voor vier dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten aan eiser toegekend. Het beroep werd gegrond verklaard en de overige beroepsgronden bleven onbesproken.