Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Als op de laatste dag van een voor de indiener geldende termijn voor indiening van een bericht een niet aan hem toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot het aangewezen digitale systeem voor gegevensverwerking, is een daardoor veroorzaakte overschrijding van de termijn verschoonbaar als het bericht uiterlijk wordt ingediend op de eerstvolgende dag na de dag waarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring is verholpen.”.
Het digitaal systeem is in beginsel 7 dagen per week en 24 uur per dag beschikbaar (24/7). IVO Rechtspraak is echter om een goede werking van het digitaal systeem te waarborgen, bevoegd de beschikbaarheid van het digitaal systeem te beperken of te onderbreken in verband met beheer, onderhoud en storingen of als preventieve maatregel bij het vermoeden van een beveiligingsincident.
IVO Rechtspraak legt de verstoringen van het digitaal systeem vast. De procesdeelnemer heeft op www.rechtspraak.nl inzage in de actuele storingen die zijn vastgelegd in de storingenadministratie. Indien een procesdeelnemer een beroep doet op verschoonbare termijnoverschrijding als gevolg van een storing zoals bedoeld in het Besluit elektronisch procederen, dient hij indien geen storingsmelding is vastgelegd aan te tonen dat sprake was van een storing. Zo nodig zal in dat geval IVO Rechtspraak op verzoek van de behandelend rechter een technisch onderzoek uitvoeren.”
Indien in een aanhangige of nog in te dienen zaak sprake is van een spoedsituatie en tevens sprake is van een verstoring in de bereikbaarheid van het digitaal systeem kan de procesdeelnemer zich wenden tot het Rechtspraak Servicecentrum. De procesdeelnemer zal worden medegedeeld op welke alternatieve wijze stukken kunnen worden ingediend. Buiten de openingstijden van het Rechtspraak Servicecentrum belt de procesdeelnemer het op www.rechtspraak.nl gepubliceerde pikettelefoonnummer dat van toepassing is op de zaak. Indien toepassing is gegeven aan het vorige lid kan de procesdeelnemer verzocht worden de stukken na beëindiging van de verstoring alsnog via een bericht in het digitaal systeem in te dienen.”
Deze zienswijze moet schriftelijk worden ingediend binnen één (werk)dag na de dag waarop het voornemen bekend is gemaakt.”
geheel ten onrechte wordt gesteld dat de overwegingen uit het voornemen over de relevante elementen niet bestreden worden” en dat “
de overwegingen uit het voornemen over deze relevante elementen wel degelijk worden betwist”. De rechtbank stelt vast dat “de betwisting van de relevante elementen” op geen enkele wijze is onderbouwd of zelfs maar is toegelicht. Eiser heeft dus ook in beroep geen argumenten aangedragen tegen het voornemen en in de beroepsgronden ook niets anders naar voren gebracht. Eiser heeft ook niet toegelicht dat, indien hij wel een zienswijze zou hebben ingediend, hij wel zou zijn opgekomen tegen de inhoud van het voornemen en tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling. Dat het besluit een andere inhoud of zelfs een andere beoordeling van de beschermingsbehoefte zou hebben gehad naar aanleiding van de reactie van eiser op de zienswijze, blijkt op geen enkele wijze. De rechtbank komt -bij wijze van uitzondering- daarom, in deze concrete procedure, tot de conclusie dat het weinig zinvol is om eiser alsnog in de gelegenheid te stellen te reageren op het voornemen en verweerder vervolgens op te dragen een aanvullend besluit te nemen met inachtneming van die zienswijze. Eiser voert als voornaamste beroepsgrond aan dat hij vindt dat het gehoor onzorgvuldig is verlopen omdat hij -kort gezegd- drie van de vier tolken die zijn ingezet onvoldoende deskundig acht. Dit heeft eiser evenwel al op vergelijkbare wijze kenbaar gemaakt in de brief die door verweerder is aangemerkt als zienswijze. Verweerder is in zijn besluit ingegaan op al die argumenten. De gronden van beroep bevatten voornamelijk een herhaling van die argumenten. Verweerder is wederom op de argumenten van eiser ingegaan in zijn verweerschrift en heeft daarbij ook gereageerd op andere punten van eiser. Gelet op al deze overwegingen, overweegt de rechtbank dat eiser niet in zijn belangen is geschaad doordat zijn brief niet is betrokken in het voornemen maar als zienswijze op dat voornemen is beschouwd door verweerder en eiser niet uitdrukkelijk is uitgenodigd een andere of aanvullende zienswijze uit te brengen.
dat hij in aanmerking gebracht dient te worden voor een verblijfsvergunning op de a grond en subsidiair de b grond en anders een nieuwe gehoor opvolgende aanvraag moet worden gepland zodat de asielaanvraag van eiser nogmaals inhoudelijk kan worden beoordeeld”. De conclusie dat eiser in aanmerking moet worden gebracht voor een verblijfsvergunning ontbeert echter elke motivering en toelichting.
ambtshalveonderzoekt of eiser, indien het terugkeerbesluit in rechte komt vast te staan en hij gedwongen naar Egypte zou terugkeren, een reëel een voorzienbaar risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten en artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3154) en de Conclusie van de Advocaat-Generaal J. Richard de la Tour van 16 mei 2024 in die procedure (C-156/23, Ararat, ECLI:EU:C:2024:413).
ambtshalve en ter zitting op tegenspraak, onderzocht of in de besluitvorming het refoulementrisico goed is onderzocht en of de beslissing verenigbaar is met het refoulementverbod. De rechtbank gaat dus ambtshalve na of de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling zorgvuldig is verlopen en de beslissing op grond van deze geloofwaardigheidsbeoordeling deugdelijk is gemotiveerd. Indien eiser gelet op zijn relaas en geplaatst tegen de achtergrond van zijn land van herkomst, moet worden aangemerkt als vluchteling of niet kan terugkeren naar Egypte zonder een reëel een voorzienbaar risico te lopen om onderworpen te worden aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, kan het terugkeerbesluit geen stand houden. Indien het terugkeerbesluit moet worden vernietigd, zal verweerder dienen te beoordelen of sprake is van uitsluitingsgronden, dan wel of aan eiser alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend.