ECLI:NL:RBDHA:2024:14985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 september 2024
Publicatiedatum
20 september 2024
Zaaknummer
NL24.31979
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) Nr. 604/2013
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening toegewezen

Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen totdat het beroep is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat vanwege de uiterste overdrachtsdatum (1 november 2024) en de geplande zitting op 28 oktober 2024 spoed geboden is. Omdat de uitspraak mogelijk na de overdrachtsdatum valt en de rechtbank niet eerder kan zitting houden, wordt de voorlopige voorziening als ordemaatregel toegewezen.

Het bestreden besluit wordt geschorst en verzoeker mag niet worden overgedragen aan België tot één week na de uitspraak op het beroep. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €875.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst en overdracht aan België verboden tot een week na uitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31979

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter verzocht om het verzoek om een voorlopige voorziening met voorrang te behandelen. Verzoeker refereert zich aan de beslissing van de voorzieningenrechter op dit verzoek.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter treft bij deze uitspraak een voorlopige voorziening op grond van de volgende overwegingen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat volgens verweerder België daar op grond van de Dublinverordening [2] voor verantwoordelijk is. Deze verordening stelt een uiterste overdrachtsdatum (UOD) waarbinnen verzoekers dienen te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat.
3. In het geval van verzoeker loopt de UOD op 1 november 2024 af. De zitting waarop het beroep wordt behandeld, is gepland op 28 oktober 2024. Verweerder heeft meegedeeld dat op basis van deze gegevens de uitspraak op het beroep mogelijk niet vóór de UOD wordt gedaan. Nu verweerder schorsende werking toekent aan het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep, komt daarmee de mogelijkheid om verzoeker over te dragen in gevaar.
4. De rechtbank en de voorzieningenrechter hebben niet de mogelijkheid het beroep respectievelijk het verzoek eerder dan 28 oktober 2024 op zitting te behandelen. In die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel toe te wijzen.
5. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit schorsen en bepalen dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België tot één week nadat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België tot een week nadat is beslist op zijn beroep in zaak NL24.31978;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 18 september 2024 door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.