Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[minderjarige], V-nummer: [V-nummer]
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 26 augustus 2024 de beroepen van drie eisers behandeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen. De minister baseerde zich op de Dublinverordening, die bepaalt dat een lidstaat een asielaanvraag niet behandelt als een andere lidstaat verantwoordelijk is. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat dit verzoek accepteerde.
Eisers stelden dat hun aanvragen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening wel in Nederland behandeld moesten worden, omdat eiseres 1 een getuigenverklaring wilde afleggen in een strafrechtelijk onderzoek in Nederland. De rechtbank vond echter dat er geen concrete aanwijzingen waren dat haar aanwezigheid in Nederland noodzakelijk was voor het onderzoek. Ook was onvoldoende onderbouwd dat zij in Duitsland geen aangifte kon doen.
Daarnaast voerden eisers aan dat zij zich onveilig voelden bij terugkeer naar Duitsland vanwege intimidatie en eerdere ervaringen. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eisers niet aannemelijk hadden gemaakt dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot onevenredige hardheid.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, handhaafde het besluit van de minister en bepaalde dat eisers kunnen worden overgedragen aan Duitsland. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland blijft in stand.