ECLI:NL:RBDHA:2024:15077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
NL24.34978
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid VreemdelingenbesluitArt. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling en verzoek schadevergoeding

Eiser, een vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit, is op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld vanwege risico op ontduiking van toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure.

Eiser stelde dat het gebruik van handboeien bij zijn aanhouding onrechtmatig was en dat de officier van justitie niet had ingestemd met de uitzetting voor alle strafbare feiten waarvoor hij was gedagvaard. De rechtbank oordeelde dat het gebruik van handboeien tijdens de strafrechtelijke aanhouding viel en niet door de bewaringsrechter getoetst kon worden. Ook was tijdens het vreemdelingenrechtelijke traject geen gebruik van handboeien gemaakt.

De rechtbank vond de zware gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende toegelicht. De instemming van het Openbaar Ministerie met de uitzetting was voor de betrokken parketnummers gegeven, en dit was voldoende. Ambtshalve toetsing leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34978

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J. van den Hoogen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mr. [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1988.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat er uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat bij de aanhouding gebruik is gemaakt van handboeien, terwijl uit het proces-verbaal van overname/ophouding volgt dat er bij de overname geen handboeien zijn gebruikt. Verder is niet gebleken dat de officier van justitie heeft ingestemd met de uitzetting. Uit de brief van verweerder van 5 september 2024 blijkt dat slechts instemming is gevraagd voor uitzetting ten aanzien van twee parketnummers, terwijl eiser is gedagvaard voor drie strafbare feiten.
4. De rechtbank concludeert dat het gebruik van handboeien heeft plaatsgevonden bij de strafrechtelijke aanhouding. Gelet hierop is de rechtbank, als bewaringsrechter, onbevoegd om de rechtmatigheid daarvan te toetsen. Verder wordt vastgesteld dat tijdens het vreemdelingenrechtelijke traject geen gebruik is gemaakt van handboeien. Dit leidt dan ook niet tot de conclusie dat er een gebrek is in het voortraject die de maatregel van bewaring raakt.
5. Eiser heeft geen gronden gericht tegen de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht, zodat deze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd en de maatregel ook kunnen dragen.
6. Uit de mededeling van verweerder ter zitting en uit de justitiële documentatie blijkt dat eiser is gedagvaard voor drie strafbare feiten. Deze strafbare feiten zijn bekend onder twee verschillende parketnummers. De rechtbank concludeert dat beide parketnummers zijn genoemd in de brief van 5 september 2024. Deze beroepsgrond leidt dan ook niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
7. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.