Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 10 augustus 2024 in bewaring gesteld door de minister van Migratie en Asiel op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de minister niet voldeed aan de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit en dat de bewaring onrechtmatig was. Daarnaast voerde hij aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat de minister onvoldoende voortvarend was in de uitzettingsprocedure.
De rechtbank stelde vast dat de minister de schriftelijke informatieplicht niet volledig had nageleefd, maar dat eiser voorafgaand aan de bewaring mondeling en met tolk was geïnformeerd, en dat dit gebrek niet zodanig ernstig was dat het de bewaring onrechtmatig maakte. De zware gronden voor bewaring, waaronder het illegaal binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan vaststelling van identiteit, waren feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
De rechtbank verwierp het verweer dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstond, mede vanwege het risico op onttrekking en het ontbreken van inschrijving in de BRP. Ook was de zorg in het detentiecentrum passend en had eiser toegang tot medische zorg. De stelling dat de minister onvoldoende voortvarend was, werd eveneens verworpen omdat de asielprocedure nog liep en er geen verplichting tot vertrekgesprek bestond.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.