AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling rechtmatigheid maatregel bewaring vreemdeling en verzoek schadevergoeding
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 16 augustus 2024 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte onder meer de rechtmatigheid van de bewaring, de piketmelding, de motivering van de zware gronden en de voortvarendheid van de minister bij de uitzetting.
De rechtbank oordeelt dat de piketmelding adequaat is gedaan, ondanks het ontbreken van het originele stuk in het dossier. De zware gronden 3a en 3b zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd; eiser is illegaal Nederland binnengekomen en heeft zich niet gehouden aan meldplichtverplichtingen. De overige gronden zijn niet weersproken en dragen bij aan de rechtmatigheid van de maatregel.
Verder is voldoende onderzocht of een lichter middel mogelijk was, waarbij eiser ruim de gelegenheid heeft gehad zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten. De minister heeft volgens de rechtbank voortvarend gehandeld bij de uitzetting, conform werkafspraken met Algerijnse autoriteiten, en het verzoek om bewijs van het versturen van de laissez passer is ongegrond.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring op geen enkel moment onrechtmatig is geweest en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
Piketmelding
2. Eiser stelt dat er geen piketmelding is gedaan voorafgaand aan de maatregel van bewaring. In het proces verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel staat dat de advocaat van eiser per email op de hoogte is gesteld. De gemachtigde van eiser heeft op zitting echter aangegeven de email niet te hebben ontvangen.
3. De rechtbank volgt de stelling van de gemachtigde van eiser niet. Het stuk van de piketmelding zelf ontbreekt in het dossier, maar er zit een email van 16 augustus 2024 (processtuk 14) in het dossier, waaruit blijkt dat mr. Groenenberg wordt aangewezen als piketadvocaat. Dit is een email vanuit de Centrale Piketafdeling Raad voor Rechtsbijstand zelf. Voor zover de piketmelding pas na het gehoor zou zijn gedaan levert dit naar het
oordeel van de rechtbank in het geval van eiser ook geen onrechtmatigheid op. Eiser heeft namelijk zelf in het gehoor voorafgaand aan de maatregel aangegeven dat hij geen behoefte heeft aan een advocaat bij het gehoor. De beroepsgrond slaagt niet.
Gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 vanPro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; 4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
5. Eiser heeft de zware gronden onder 3a en 3b betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3a feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd. Eiser is niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring heeft eiser verklaard in 2016 illegaal met een bootje te zijn ingereisd vanuit Algerije naar Spanje en dat hij vervolgens naar Nederland is gereisd. Eiser was hierbij niet in het bezit van de verplichte reisdocumenten. Dat eiser recent op grond van de Dublin-verordening Nederland weer is ingekomen, doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Ook de zware grond onder 3b is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser heeft in het verleden al meerdere keren een meldplicht opgelegd gekregen, waar aan hij zich niet heeft gehouden. Eiser is eerder ook met onbekende bestemming vertrokken.
6. De overige zware gronden heeft eiser niet weersproken. Deze zware gronden zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De beroepsgronden slagen niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen om zijn belang bij een lichter middel te onderbouwen. Volgens eiser waren de verbalisanten tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel alleen maar bezig met het opleggen van de inbewaringstelling en is de mogelijkheid van een lichter middel niet onderzocht.
8. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende is gevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden en dat voldoende is onderzocht of een lichter middel mogelijk was. Eiser is uitgebreid gehoord voorafgaand aan het opleggen van de maatregel en in het besluit zijn de door eiser aangevoerde omstandigheden ook meegenomen in de afweging van het lichter middel. Het opleggen van de maatregel van bewaring is daarmee voldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Daartoe voert eiser aan dat er pas op 23 augustus 2024 een laissez passer (lp) aanvraag zou zijn gestuurd naar de Algerijnse autoriteiten. Dit had volgens eiser al veel eerder kunnen gebeuren. De werkafspraak met de Algerijnse autoriteiten dat de lp aanvragen voor ongedocumenteerde vreemdelingen alleen op vrijdag verstuurd mogen worden, zou niet ten nadele van eiser moeten vallen. Het is eiser ook niet duidelijk of de lp aanvraag ook daadwerkelijk is opgestuurd, omdat de stukken van het versturen van de lp aanvraag ontbreken in het dossier.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 19 augustus 2024 is er een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat hierna een lp aanvraag is verstuurd naar de desbetreffende afdeling en dat de lp aanvraag vervolgens op vrijdag 23 augustus 2024 naar Algerije is verstuurd, conform de werkafspraken met de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat zij zich aan de werkafspraken met Algerije dienen te houden en niet eenzijdig van deze afspraken kan afwijken. Het is bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de uitzetting van eiser naar Algerije zou zijn bespoedigd als de minister de lp aanvraag eerder had ingediend. De gemachtigde van de minister heeft op zitting aangegeven dat de lp aanvraag daadwerkelijk is verstuurd op 23 augustus 2024. De rechtbank ziet geen reden om hier aan te twijfelen en om de stukken hiervan op te vragen, zoals eiser heeft betoogd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 augustus 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.