ECLI:NL:RBDHA:2024:15313
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsrecht na meerderjarigheid van Nederlands kind op grond van VWEU en EVRM
Eiseres heeft een verblijfsdocument ontvangen met een geldigheidsduur tot de dag waarop haar Nederlandse kind meerderjarig werd. Zij maakte bezwaar tegen de beperkte verblijfsduur en stelde dat zij op grond van beleid en jurisprudentie voortgezet verblijfsrecht zou moeten krijgen.
De rechtbank oordeelt dat het verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro terecht is beperkt tot de meerderjarigheid van het kind, aangezien het beleid in de Vreemdelingencirculaire (paragraaf B10/2.3) alleen van toepassing is op EU-burgers en niet analoog op derdelanders zoals eiseres. Ook het beroep op het arrest K.A. faalt omdat geen uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie is vastgesteld.
Verder is geoordeeld dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro rechtmatig is gemaakt, waarbij het economische en algemene belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt dan het individuele belang van eiseres. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en haar verblijfsrecht blijft beperkt tot de meerderjarigheid van haar Nederlandse kind.