ECLI:NL:RBDHA:2024:15398
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod voor Moldavische vreemdeling ongegrond verklaard
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Moldavische vreemdeling tegen een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Het besluit werd genomen op 19 maart 2024 en het beroep werd op 7 augustus 2024 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
Eiser voerde aan dat hem een termijn voor vrijwillig vertrek had moeten worden gegeven omdat alleen lichte gronden waren genoemd en hij een vaste woon- of verblijfplaats in Moldavië had. Ook stelde hij dat hij financiële hulp van familie in Duitsland kon ontvangen. De minister stelde dat er sprake was van een risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken, onder meer vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De rechtbank oordeelde dat de minister dit risico voldoende had gemotiveerd en dat het afzien van een vertrektermijn gerechtvaardigd was. Tevens wees de rechtbank het beroep tegen het inreisverbod af, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij afhankelijk was van familie in de EU of dat het inreisverbod onredelijk was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.