2.2[verzoeker] legt het volgende aan haar verzoeken ten grondslag. Zij is geboren op [geboortedatum] 2002 en is op 5 november 2019 in de functie van Kassamedewerker A fulltime in dienst getreden bij D-Pers . Zij is in die functie voor haar gaan werken in de Dirk van den Broek vestiging van D-Pers te Gouda. Per 1 december 2019 heeft zij de functie Kassamedewerker B gekregen en met ingang van 24 april 2022 is zij gepromoveerd tot Teamleider Kassa. Haar salaris bedroeg laatstelijk gemiddeld € 2.475,= bruto per maand, inclusief 8% vakantietoeslag. [verzoeker] is per 1 augustus 2023 begonnen met de opleiding Retailmanager aan het Albeda College te Rotterdam (een schooldag per week). Deze opleiding werd volledig bekostigd door D-Pers . Zij zou deze opleiding afronden in februari 2025. [verzoeker] is per 23 maart 2024 overgeplaatst naar de Dirk van den Broek vestiging van D-Pers aan de Zwart Janstraat te Rotterdam. Daar werd anders gewerkt dan in Gouda. Er was weinig gezag voor leidinggevenden en de regels waren vaak onduidelijk. Als leidinggevende heeft zij meerdere malen waarschuwingen moeten uitdelen. Zij heeft haar leidinggevende, [afdelingsmanager] , om ondersteuning gevraagd, omdat zij niet werd gerespecteerd, maar heeft weinig support gekregen. Bij brief d.d. 16 april 2024 heeft D-Pers haar bevestigd dat haar leidinggevende op die datum telefonisch met haar heeft besproken dat het vermoeden was ontstaan dat zij direct of indirect betrokken was bij een verdenking van een vergrijp dat een dringende reden tot ontslag zou kunnen zijn, in verband waarmee zij, in afwachting van het hiernaar in te stellen onderzoek, met onmiddellijk ingang is geschorst en de loonbetaling is stopgezet. Het aangekondigde onderzoek is uitgevoerd door [onderzoeker] . Wat de precieze uitkomst is van dat onderzoek, is [verzoeker] niet bekend. Wel is haar meegedeeld dat daaruit zou zijn gebleken dat zij op 3 en 7 april 2024 contante geldbedragen heeft weggenomen uit het geldwisselbakje en dat zij op 13 april 2024 vier emballagebonnen met een totaalwaarde ad € 23,10 had aangemaakt, had verzilverd en zich het geld zou hebben toegeëigend. D-Pers heeft haar op 24 april 2024 in verband hiermee op staande voet ontslagen. Dit ontslag is haar bij brief d.d. 26 april 2024 bevestigd. Het Albeda College heeft [verzoeker] bericht dat de opleiding die zij bij haar volgde, was stopgezet. Bij brief d.d. 30 april 2024 heeft D-Pers aangekondigd dat zij op de eindafrekening van het dienstverband met [verzoeker] zal inhouden de gemaakte studiekosten ad € 734,= en de gefixeerde schadevergoeding, waaraan uitvoering is gegeven. [verzoeker] betwist de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten. Daartoe voert zij het volgende aan. Het is twee keer voorgekomen dat het Safepay apparaat het niet deed toen een klant met contant geld probeerde af te rekenen. In beide gevallen had de klant het geld in het apparaat gedaan. De eerste maal ging het om kassa 21. [verzoeker] heeft de afdeling ICT van D-Pers gebeld. Dit leidde niet tot een oplossing. Om die reden heeft [verzoeker] de boodschappen van de klant met de eigen pinpas afgerekend, althans heeft zij ten behoeve van een van de klanten met de eigen pinpas afgerekend. Het ging om een bedrag ad circa € 11,=, althans om een bedrag ad € 19,23, betaald op 29 maart 2024 te circa 18:17 uur. Vervolgens heeft zich met betrekking tot kassa 16 hetzelfde probleem voorgedaan. Ook dat probleem heeft [verzoeker] opgelost door de boodschappen van de klant met de eigen pinpas af te rekenen. Hierbij ging het om een bedrag ad circa € 13,=, althans om een bedrag ad € 17,64, betaald op 30 maart 2024 te circa 18:39 uur. De betalingen die [verzoeker] voor de zojuist bedoelde klanten heeft gedaan, blijken uit de bankinformatie die zij als productie 7 in het geding heeft gebracht bij het aanvullende verzoekschrift. Naar aanleiding van de kassabonnen die D-Pers na de mondelinge behandeling in het geding heeft gebracht, heeft [verzoeker] zich nader op het standpunt gesteld dat de pintransactie d.d. 30 maart 2024 betrekking heeft op een eigen aankoop en de pintransactie d.d. 29 maart 2024 op de pintransactie ten behoeve van de klant. [verzoeker] heeft de door haar betaalde bedragen enkele dagen later, met instemming van de afdelingsmanager, [afdelingsmanager] , uit het bakje met gevonden geld, het wisselbakje, gepakt. Op 3 april 2024 zat er € 11,50 in het bakje. Dat bedrag heeft zij uit het bakje gepakt. Dat was minder dan zij voor de klant(en) had betaald. Het ontbrekende bedrag heeft zij op (waarschijnlijk) 7 april 2024 uit het bakje genomen. Als teamleider was [verzoeker] bevoegd om geld uit het wisselbakje te nemen als dit nodig was voor een klant. Wat de emballagebonnen betreft geldt het volgende. Op of omstreeks 12 april 2024 kon een klant de emballagebonnen niet inleveren omdat het kind van deze klant de bonnen had verscheurd, zodat deze niet meer te scannen waren. [verzoeker] heeft toen collega’s gevraagd om nieuwe bonnen aan te maken, maar niemand had daarvoor tijd. Tegen de klant heeft [verzoeker] gezegd dat zij de volgende dag kon terugkomen om de bonnen alsnog te verzilveren. Op 13 april 2024 heeft zij meerdere emballagebonnen aangemaakt, 2 met een waarde van € 3,90 en 3 met een waarde van € 7,80. Vervolgens heeft zij deze bonnen verzilverd. Een van de bonnen heeft zij verzilverd om een tekort van € 5,= in de kassa op te lossen dat op 5 april 2024 was ontstaan. De rest van de bonnen heeft zij aangemaakt en verzilverd voor de klant die op 13 april 2024 zou terugkomen. Dit geld, een bankbiljet van € 20,=, heeft zij op kantoor voor de klant klaargelegd. Vervolgens is dit biljet verdwenen. Uit de camerabeelden blijkt dat meerdere collega’s toegang hadden tot het kantoor en dat een ieder het bankbiljet kan hebben weggenomen. [verzoeker] is dit niet te verwijten. [verzoeker] had de door haar gestelde gang van zaken met de gemaakte camerabeelden kunnen illustreren. D-Pers heeft die beelden echter ten onrechte niet bewaard. Te oordelen is aldus dat [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen. Zij is bereid haar werk te hervatten, zij het op een andere locatie. Nu zij ten onrechte is ontslagen, kan zij aanspraak maken op loondoorbetaling. De studiekosten heeft D-Pers niet met de eindafrekening mogen verrekenen. Er geldt geen studiekostenbeding, althans dit is niet redelijk. Een van de maatregelen bij een ontslag op staande voet is dat er een registratie plaatsvindt in het interne en externe waarschuwingsregister. De interne registratie geldt voor 8 jaar en de externe registratie voor 1 jaar. D-Pers heeft [verzoeker] in het interne en externe waarschuwingsregister geregistreerd. Zij heeft [verzoeker] tevens voor al haar filialen een winkelverbod opgelegd voor de duur van 1 jaar. Nu [verzoeker] ten onrechte op staande voet is ontslagen, dient dit ongedaan gemaakt te worden. De periodes waarvoor de maatregelen gelden zijn bovendien disproportioneel. [verzoeker] heeft langere tijd voor D-Pers gewerkt en wil in de branche werkzaam blijven.