ECLI:NL:RBDHA:2024:15581
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid eiser in vordering tot faciliteren revalidatietraject voor rugklachten in detentie
Eiser, gedetineerd sinds september 2021 en met een gevangenisstraf van tien jaar, lijdt aan rugklachten waarvoor hij een revalidatietraject wenst zoals geadviseerd door medisch specialisten. Hij heeft reeds fysiotherapie ontvangen en gebruikt tramadol als pijnstiller. Na een negatief oordeel van de beroepscommissie van de RSJ over zijn klacht tegen de inrichtingsarts, vordert eiser in kort geding dat de Staat wordt veroordeeld om binnen vier weken een revalidatietraject te faciliteren.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet-ontvankelijk is omdat de wetgever met artikel 71b Pbw een specifieke rechtsgang binnen het penitentiaire stelsel heeft gecreëerd voor toetsing van medisch handelen door inrichtingsartsen. Deze beroepsprocedure bij de RSJ wordt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang beschouwd, waardoor de burgerlijke rechter niet bevoegd is om over deze medische behandeling te oordelen.
Hoewel eiser stelt dat de civiele procedure een andere rechtsvraag betreft dan de RSJ-procedure, volgt de rechtbank dat zijn vordering feitelijk neerkomt op een beoordeling van het medisch handelen jegens hem, hetgeen reeds aan de RSJ is voorgelegd. De rechtbank wijst erop dat de RSJ weliswaar geen behandelopdrachten kan geven, maar een gemotiveerd oordeel van de RSJ wel invloed heeft op het medisch handelen van de inrichtingsarts.
Eiser kan bij een nieuwe situatie het behandelplan via de inrichtingsarts laten aanpassen en dit opnieuw aan de RSJ voorleggen. De rechtbank veroordeelt eiser in de proceskosten en wijst de gevorderde wettelijke rente toe. De vordering wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het faciliteren van een revalidatietraject en veroordeeld in de proceskosten.