Eiser diende op 26 maart 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen zes maanden beslissen, maar verlengde deze termijn met negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen, conform artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw.
Eiser stelde de minister bij brief van 8 april 2024 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en stelde op 25 april 2024 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig was en de zes maanden termijn nog niet was verstreken.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. De minister heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gepubliceerd op 30 september 2024.