ECLI:NL:RBDHA:2024:15650
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, een Syrische asielzoeker, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland volgens het Dublin-verdrag verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
Eiser stelde dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege structurele en systematische tekortkomingen in het Duitse opvangsysteem, onderbouwd met verwijzingen naar het AIDA-rapport 2023. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
De rechtbank volgde eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en benadrukte dat Duitsland, net als Nederland, partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en EU-richtlijnen. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.