ECLI:NL:RBDHA:2024:15651
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublin-verordening.
Eiser stelde dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing is vanwege structurele en systematische tekortkomingen in de opvang in Duitsland, onderbouwd met verwijzing naar het AIDA-rapport 2023. De rechtbank oordeelt dat eiser dit niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt en verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die het vertrouwensbeginsel bevestigt.
De rechtbank concludeert dat Duitsland, als lidstaat van de EU en partij bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, geacht mag worden zijn verplichtingen na te komen. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak is beslist en er geen sprake meer is van connexiteit.
Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag en is openbaar bekendgemaakt op 24 september 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.