Eiser diende op 16 november 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie besloot niet tijdig, waarop eiser op 17 mei 2024 een ingebrekestelling stuurde en vervolgens op 6 juni 2024 beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. Juridisch is bepaald dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit en dat beroep tegen niet tijdig beslissen pas mogelijk is na een ingebrekestelling en het verstrijken van twee weken.
De wettelijke beslistermijn van zes maanden eindigde op 16 mei 2024, maar deze termijn was rechtsgeldig verlengd met negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen, conform artikel 42, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de inwerkingtreding van het WBV 2023/3.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verlenging gerechtvaardigd was, waardoor de ingebrekestelling van 17 mei 2024 prematuur was. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten en is niet-ontvankelijk verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser kan binnen vier weken na verzending van deze uitspraak beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.