ECLI:NL:RBDHA:2024:15725
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende bewijs vorderingsrecht
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek tot faillietverklaring van verweerder ingediend, gebaseerd op twee vorderingen die aan hem zijn overgedragen door de ex-echtgenote van verweerder. De eerste vordering betreft een regresvordering uit hoofde van een door haar voldane geldlening aan de DSB-bank, terwijl volgens een echtscheidingsconvenant verweerder deze schuld zou moeten dragen. De tweede vordering betreft een onrechtmatige daad in verband met het verpanden van een sloep.
Tijdens de raadkamerzitting op 24 september 2024 zijn beide partijen gehoord. Verweerder betwist het bestaan van de vorderingen en voert aan dat hij zijn verplichtingen nakomt en dat de sloep beschikbaar blijft voor de eigenaren. De rechtbank beoordeelt dat het bestaan van de vorderingen niet summierlijk is gebleken, mede omdat de gestelde betalingen niet nader zijn gespecificeerd en het onrechtmatig handelen niet voldoende is onderbouwd.
Gelet op het feit dat in een faillissementsprocedure slechts een summier onderzoek plaatsvindt en dat de schuldenaar meerdere schuldeisers moet hebben en niet meer moet betalen, concludeert de rechtbank dat niet is voldaan aan de faillissementstoestand. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af.
De uitspraak is gedaan door rechter R. Cats en griffier M.Y.P.M. Zeeman op 1 oktober 2024. Tegen deze beschikking kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Haag.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het vorderingsrecht.