ECLI:NL:RBDHA:2024:1574

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 februari 2024
Publicatiedatum
13 februari 2024
Zaaknummer
NL23.40519
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken beroepsgronden in Dublin-zaak

De rechtbank Den Haag behandelde op 7 februari 2024 het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens het Dublin-verdrag.

Eiser heeft geen beroepsgronden ingediend ondanks meerdere verzoeken van de rechtbank om deze alsnog in te dienen. De rechtbank heeft geen verschoonbare redenen voor deze termijnoverschrijding kunnen vaststellen.

De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of er bijzondere omstandigheden zijn die een gedwongen overdracht aan Duitsland zouden verbieden op grond van artikel 3 EVRM Pro, zoals bedoeld in het arrest Bahaddar van het EHRM, maar heeft dit niet vastgesteld.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb Pro wegens het ontbreken van beroepsgronden. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.40519 (beroep) en NL23.40520 (vovo)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser/verzoeker,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovács).

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens om een voorlopige voorziening verzocht.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 7 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser/verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb [1] bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift van 28 december 2023. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser om deze reden bij bericht in het digitale dossier van 2 januari 2024 verzocht om de gronden alsnog op uiterlijk 9 januari 2024 in te dienen. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank eiser op 16 januari 2024 de gelegenheid gegeven om toe te lichten waarom de gronden van beroep niet zijn ingediend.
3. Eiser heeft tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek ter zitting geen beroepsgronden ingediend of laten indienen. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiser sprake is van verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding.
4. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, nog slechts voor de vraag gesteld of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM [2] in de zaak Bahaddar tegen Nederland. [3] Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
5. De rechtbank zal het beroep dan ook met toepassing van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van de beroepsgronden.
6. Omdat met deze uitspraak het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Ook dat verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
3.Arrest van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.