ECLI:NL:RBDHA:2024:1585
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling vanwege vertrek vóór peildatum
Eiser, een Oekraïense onderdaan, verzocht om tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming vanwege het conflict in Oekraïne. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat eiser Oekraïne op 24 november 2021 had verlaten, vóór de peildatum van 27 november 2021, en daarmee niet viel onder de doelgroep die recht heeft op tijdelijke bescherming. Eiser betoogde dat hij als gezinslid van zijn moeder, die in Nederland verbleef, aanspraak kon maken op bescherming en dat het besluit formalistisch was.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet als ontheemde in de zin van de Richtlijn kan worden beschouwd, omdat hij Oekraïne verliet om te gaan werken in Tsjechië en niet vanwege het conflict. Ook was niet gebleken dat hij afhankelijk was van zijn moeder of als gezinslid kon worden aangemerkt. De rechtbank verwierp het betoog dat het weigeren van tijdelijke bescherming onredelijk bezwarend was, aangezien eiser de asielprocedure kan volgen.
Verder concludeerde de rechtbank dat de staatssecretaris terecht afzag van een hoorzitting tijdens de bezwaarprocedure, omdat de feiten en omstandigheden voldoende duidelijk waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser op tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard omdat hij Oekraïne vóór de peildatum heeft verlaten en niet voldoet aan de voorwaarden.