Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 januari 2024 met producties 1 tot en met 13;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 9;
- de akte rectificatie van [gedaagde] ;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 tot en met 22;
- het tussenvonnis van 29 mei 2024 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte houdende vermeerdering van eis van [gedaagde] met producties 10 tot en met 15;
- de akte wijziging van eis van [eiseres] met producties 23 tot en met 43; en
- de akte overlegging producties 16 en 17 van [gedaagde] .
2.De feiten
Stelt de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap als volgt vast: (…)
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
de datum van de taxatie zal worden gehanteerd als de peildatum voor de waarde van de woningen”. De rechtbank is in dit licht van oordeel dat de bewoordingen van de beschikking geen andere uitleg toelaten dan dat de peildatum van de waarde van de woning aan het [adres 1] 10 september 2018 is.
contante waarde” is gebruikt. Dit brengt volgens [eiseres] met zich dat geen rekening dient te worden gehouden met de belasting die bij het uitkeren van de kapitaalpolissen verschuldigd zal zijn. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Het is bij de verdeling van kapitaalpolissen gebruikelijk dat rekening wordt gehouden met een latente belastingverplichting. De verschuldigde belasting zou anders, zonder dat daar enige rechtvaardiging voor bestaat, voor rekening van één van de (ex)echtgenoten komen. Het ligt niet voor de hand dat de rechtbank een dergelijk onaannemelijk rechtsgevolg heeft beoogd. De rechtbank gaat er aldus vanuit dat het standpunt van [gedaagde] juist is, en dat er afgerekend dient te worden tegen de netto contante waarde. Dit betekent dat [gedaagde] in verband met de aan hem toebedeelde kapitaalpolissen een bedrag van € 10.821dient te betalen aan [eiseres] , en [eiseres] in verband met de aan haar toebedeelde kapitaalpolis een bedrag van € 2.520 aan [gedaagde] .
28. Vast is komen te staan dat partijen een geldlening van € 200.000,00 zijn aangegaan bij de ING Bank. Dit geld hebben zij vervolgens geleend aan de [bedrijfsnaam 1] Int. BV. Partijen hebben dientengevolge een vordering ter hoogte van € 200.000,- op die BV. (…) Het hof is van oordeel dat voormelde omstandigheden niet tot de conclusie leiden dat de schuld aan ING Bank verknocht is. Wat betreft de vordering die partijen hebben op [bedrijfsnaam 1] Int. BV. is het hof van oordeel dat die evenmin verknocht is. De door de vrouw aangedragen feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om die verstrekkende conclusie met alle gevolgen vandien voor de verstrekker van de geleding (ING Bank) te kunnen trekken.