ECLI:NL:RBDHA:2024:16127
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De rechtbank heeft op 23 september 2024 de zaak behandeld en beoordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat Duitsland het verzoek tot terugname heeft aanvaard. Er zijn geen aanwijzingen dat overdracht aan Duitsland een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert of dat er sprake is van onevenredige hardheid.
Eiser stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals het verblijf van zijn vrouw en kinderen in Nederland en hun asielprocedure hier, een reden vormen om de aanvraag toch in behandeling te nemen. De rechtbank oordeelt echter dat de minister deze belangen voldoende heeft meegewogen en dat het feit dat de gezinsband tijdelijk was verbroken niet tot een andere uitkomst leidt.
De rechtbank wijst erop dat Nederland niet verplicht is de aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro, zeker niet omdat eiser en zijn echtgenote nagelaten hebben in Griekenland of Duitsland een verzoek tot hereniging in te dienen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.