ECLI:NL:RBDHA:2024:16189

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.28034
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 29 Dublinverordening (EU) Nr. 604/2013Art. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 35 Procedurerichtlijn 2013/32/EUArt. 6:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingebrekestelling bij Dublinonderzoek asielaanvraag

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 25 februari 2023. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn op grond van de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet 2000 aanvankelijk op 6 april 2024 zou eindigen, maar door de verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van de WBV 2023/3 verschuift deze naar 6 januari 2025.

De rechtbank stelt vast dat de maximale beslistermijn van 21 maanden na indiening van de asielaanvraag, zoals bepaald in de Procedurerichtlijn, eerder eindigt op 25 november 2024. Op het moment van de ingebrekestelling was deze termijn echter nog niet verstreken, waardoor de ingebrekestelling prematuur was en het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin de verlenging van de beslistermijn als rechtsgeldig is beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.J. Schouw en griffier W. van Loon en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediend beroep.

Uitspraak

uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.28034
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. R. Bom),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

Eiser heeft op 12 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 25 februari 2023.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
Verweerder heeft onderzocht of de asielaanvraag van eiser niet in behandeling moet worden genomen omdat een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening1. Artikel 42, zesde lid, van de Vw2 bepaalt dat de beslistermijn in dergelijke gevallen aanvangt op het moment waarop is komen vast te staan dat Nederland verantwoordelijk is of zal worden voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat moment is in ieder geval aangebroken wanneer de in de Dublinverordening neergelegde uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Dat moment kan zich echter ook eerder voordoen, bijvoorbeeld als verweerder zelf eerder besluit om de asielaanvraag aan zich te trekken of als door feiten en omstandigheden blijkt dat de
1. Verordening (EU) Nr. 604/2103.
2 Vreemdelingenwet 2000.
verantwoordelijkheid vanaf een bepaald moment aan Nederland behoort of zal gaan behoren.
3. In het geval van eiser is per 6 oktober 2023 de uiterste overdrachtstermijn verstreken. Op die datum waren er namelijk zes maanden verstreken na het claimakkoord van Polen. De rechtbank verwijst hierbij naar artikel 29 van Pro de Dublinverordening.
4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet er binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. Gelet op wat hierboven is overwogen, vangt deze beslistermijn in het geval van eiser aan op 6 oktober 2023. De beslistermijn zou daarom op 6 april 2024 eindigen. Verweerder heeft met de inwerkingtreding van de WBV 2023/33 de beslistermijn verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser pas op 6 januari 2025 zal eindigen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 19 april
20244 geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van de WBV 2023/3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Deze verlenging is daarom rechtsgeldig. De beslistermijn zou daarom op 6 januari 2025 eindigen. Echter, op grond van artikel 35, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn5 mag de maximale termijn van 21 maanden na indiening van de asielaanvraag niet worden overschreden. De maximale beslistermijn eindigt daarom eerder, namelijk op 25 november 2024. Ook dit betekent dat op het moment van de ingebrekestelling de beslistermijn nog niet was verstreken. Daarom is het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 2 oktober 2024 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
3 Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.
5 Richtlijn 2013/32/EU.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.