Eisers, een gezin van Turkse nationaliteit met minderjarige kinderen, kregen op 11 september 2024 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel werd opgeheven op 13 september 2024, waarna eisers beroep instelden tegen de rechtmatigheid van de bewaring en tevens een verzoek tot schadevergoeding indienden.
De rechtbank beoordeelde de zware gronden waarop de bewaring was gebaseerd, waaronder het niet op voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen (grond 3a) en het niet meewerken aan een overdrachtsbesluit (grond 3k). Deze gronden werden als feitelijk juist en voldoende gemotiveerd beschouwd. De ambtshalve getoetste grond 3m was onvoldoende gemotiveerd.
De kern van het geschil betrof de belangenafweging, waarbij eisers stelden dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de medische situatie van de minderjarige dochter. De rechtbank stelde vast dat de minister niet inzichtelijk had gemaakt hoe de medische problematiek van de dochter was meegewogen, terwijl dit volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 verplicht is. Hierdoor was de maatregel onrechtmatig vanaf het moment van opleggen.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €900,- voor drie dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van €1.750,-. Het beroep werd gegrond verklaard.