De rechtbank Den Haag heeft op 4 oktober 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een vreemdeling met onduidelijke identiteit en nationaliteit, beroep instelde tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De minister had de bewaring ingesteld vanwege risico's op onttrekking aan toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure, gebaseerd op zware gronden zoals het niet voldoende meewerken aan het vaststellen van identiteit en het verstrekken van onjuiste gegevens. Eiser betwistte enkele gronden, maar de rechtbank oordeelde dat deze feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren.
Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstond en dat hij medische behandeling in Zwitserland wenste. De rechtbank stelde echter vast dat de minister aannemelijk had gemaakt dat een lichter middel onvoldoende was vanwege eerdere overtredingen en het ontbreken van verblijfsrecht in Zwitserland.
De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de bewaring op geen enkel moment onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.