ECLI:NL:RBDHA:2024:16350
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Oostenrijk
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn volgens de Dublinverordening. Eiser stelde dat het besluit in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het interstatelijk vertrouwensbeginsel, het verbod op refoulement en dat hij niet terug kon naar Oostenrijk vanwege slechte opvangomstandigheden en gebrek aan effectieve rechtsmiddelen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De enkele stellingen zonder onderbouwing waren onvoldoende. Tevens was er geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie met zijn broer in Nederland die een uitzondering op de overdracht rechtvaardigt.
De rechtbank bevestigde het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en verwees naar recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie dat toetsing aan indirect refoulement bij overdrachtsbesluiten beperkt is. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.