ECLI:NL:RBDHA:2024:16463

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
10 oktober 2024
Zaaknummer
23_7575
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:11 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op eerdere toekenning Wajong-uitkering wegens aanvraagdatum

Eiser heeft op 29 december 2022 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, welke door het UWV is toegekend met ingang van die datum. Eiser stelde dat de uitkering ambtshalve per 4 mei 2016 toegekend had moeten worden, verwijzend naar een verzekeringsartsrapport waarin sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Verweerder handhaafde het besluit en stelde dat de uitkering niet eerder dan de aanvraagdatum kan ingaan, tenzij sprake is van kennelijke hardheid.

De rechtbank overwoog dat de wet bepaalt dat het recht op een Wajong-uitkering ontstaat op de dag van aanvraag, niet eerder, tenzij het UWV ambtshalve toekenning toepast bij kennelijke hardheid. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat eiser niet eerder had kunnen aanvragen, mede omdat zijn moeder zijn zaken regelde en eerder een WIA-uitkering was aangevraagd. Ook het advies om een WIA-uitkering aan te vragen was begrijpelijk gezien de situatie.

Verder concludeerde de rechtbank dat de arbeidsbeperkingen op het 18e levensjaar niet duurzaam waren, omdat eiser toen nog in behandeling was en herstel mogelijk was. Daarom was geen reden om de uitkering eerder toe te kennen dan 29 december 2022. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de Wajong-uitkering blijft toegekend vanaf de aanvraagdatum 29 december 2022.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7575

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. D. Spiering-Kalay).

Inleiding

Bij besluit van 24 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser per 29 december 2022 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend.
Bij besluit van 10 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn moeder, mr. Z. Eker als waarnemer voor de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1997, heeft op 29 december 2022 een aanvraag tot toekenning van een Wajong-uitkering ingediend.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser per 29 december 2022 een Wajong uitkering toegekend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat de Wajong-uitkering niet kan worden toegekend met ingang van eisers 18e levensjaar omdat pas recht op een Wajong-uitkering bestaat met ingang van de dag waarop de aanvraag is ingediend. Voorts stelt verweerder dat eiser arbeidsbeperkingen op het 18e levensjaar niet duurzaam van aard waren, omdat eiser toen niet was uitbehandeld.
3. Eiser voert aan dat ten onrechte heeft nagelaten toepassing te geven aan de in artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong gegeven bevoegdheid om het recht op een Wajong-uitkering ambtshalve vast te stellen. In dit verband heeft eiser gewezen op het onderzoek van de verzekeringsarts van 4 mei 2016, waarbij deze arts heeft geconcludeerd dat er sprake was van “geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Dat hij toen onder behandeling was en men waarschijnlijk dacht dat hij door de behandeling op lange termijn een geringe kans op herstel zou hebben, doet volgens eiser niet af aan het feit dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Eiser is van mening dat aan hem per 4 mei 2016 een Wajong-uitkering moet worden toegekend.
4.1.
Artikel 1a:11, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat het Uwv op aanvraag vaststelt of er recht op een Wajong-uitkering bestaat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het recht op een Wajong-uitkering ontstaat op de dag waarop de aanvraag werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene 18 jaar wordt. Op grond van het vierde lid van dit artikel is het Uwv bevoegd het recht op een Wajong-uitkering ambtshalve toe te kennen als de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid.
4.2
Gelet op de bewoordingen van artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong kan een Wajong-uitkering niet met ingang van een eerdere ingangsdatum dan per de aanvraagdatum worden toegekend. Dit is alleen anders als op grond van het vierde lid een aanvraag niet vereist is. De ingangsdatum wordt in dat geval vastgesteld op het moment waarop het Uwv kennis heeft kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake is van een recht op Wajong-uitkering en de voorwaarde van het doen van een aanvraag (op dat moment) leidt tot een kennelijke hardheid. Door de wetgever is daarbij bijvoorbeeld gedacht aan situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om te concluderen dat eiser niet eerder dan 29 december 2022 een aanvraag voor een Wajong-uitkering had kunnen indienen. Eiser had met behulp van derden een dergelijke aanvraag al eerder kunnen doen. Gebleken is dat zijn moeder de zaken van eiser regelde. Zo is door of namens eiser op 25 april 2016 een WIA-uitkering aangevraagd. Daarom valt niet in te zien dat eiser niet eerder een Wajong-uitkering had kunnen aanvragen. Dat eiser en zijn moeder niet wisten dat een eiser een Wajong-uitkering kon aanvragen is geen reden om een Wajong-uitkering per eerdere datum toe te kennen.
Ter zitting heeft de moeder van eiser aangegeven dat zij telefonisch contact heeft gehad met het klantcontactcentrum van verweerder nadat het dienstverband van eiser met de werkgever (Jumbo) na een periode van ziekte was beëindigd en dat aan haar toen is geadviseerd om een WIA-uitkering aan te vragen. De rechtbank acht dit advies niet onbegrijpelijk, nu eiser ziek uit dienst is gegaan bij deze werkgever. De inhoud van het gesprek had dan ook voor verweerder geen aanleiding hoeven geven om de moeder van eiser erop te wijzen dat eiser een Wajong-uitkering kon aanvragen.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding was voor verweerder om te veronderstellen dat eiser op een eerder moment aan de criteria voor een Wajong-uitkering zou voldoen. In het rapport van de verzekeringsarts (in het kader van de Ziektewet) van 4 mei 2016 wordt vermeld dat opnieuw bij PsyQ zal worden gestart met een behandeling, in eerste instantie gericht op activering, en dat de verwachting bestaat dat de functionele mogelijkheden op de lange termijn wezenlijk zullen toenemen. Daarmee stond op dat moment niet vast dat het ontbreken van arbeidsvermogen van eiser duurzaam was.
6. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder terecht de Wajong-uitkering niet eerder dan per 29 december 2022 heeft toegekend.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.