Op 10 juni 2024 heeft verdachte te Leiden meerdere levensmiddelen gestolen uit een supermarkt. De diefstal werd gezien door een verbalisant die verdachte betrapte op het wegsluizen van goederen zonder te betalen. Tijdens de terechtzitting op 19 september 2024 heeft verdachte de diefstal bekend en verklaard dat hij het feit pleegde vanwege persoonlijke problemen.
De rechtbank heeft het feit wettig en overtuigend bewezen verklaard op basis van het proces-verbaal van aangifte, bevindingen en het verhoor van verdachte. De strafbaarheid van het feit en de verdachte is vastgesteld, zonder dat er omstandigheden zijn die strafuitsluiting rechtvaardigen.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor twee jaar wordt opgelegd. De rechtbank onderschrijft dit verzoek, mede gelet op het strafblad van verdachte dat veelvuldig soortgelijke veroordelingen bevat, het hoge recidiverisico volgens het reclasseringsadvies, en het feit dat eerdere behandeltrajecten niet tot gedragsverandering hebben geleid.
De rechtbank stelt vast dat verdachte voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ISD-maatregel en dat er geen reëel alternatief is voor deze maatregel. De maatregel wordt passend geacht om de veiligheid van de maatschappij te waarborgen en recidive te voorkomen. De tijd in voorlopige hechtenis wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.