Verzoekster exploiteert een onderneming in de grond-, weg- en waterbouwsector en kreeg van het college zeven lasten onder dwangsom opgelegd wegens diverse overtredingen van de beheersverordening en bestemmingsplan, waaronder illegale terreinuitbreidingen, opslag op gronden met bestemming 'Groen' en 'Water', en het ontbreken van vereiste omgevingsvergunningen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster zich niet met succes kan beroepen op overgangsrecht, omdat de beheersverordening geen overgangsbepalingen bevat en verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar activiteiten onder het oude regime waren toegestaan. Hoewel verzoekster deels slaagt in haar betoog dat voor het aanbrengen van verhardingen geen omgevingsvergunning vereist was, is het bestreden besluit niettemin terecht omdat ook het bedrijfsmatig gebruik in strijd is met de bestemming.
Verder is vastgesteld dat voor meerdere overtredingen terecht lasten zijn opgelegd. Verzoekster heeft onvoldoende concreet zicht op legalisatie, ondanks een inmiddels verleende omgevingsvergunning die slechts een beperkt deel van de overtredingen betreft. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die handhaving in de weg staan. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, maar verlengt de begunstigingstermijn tot drie weken na verzending van de uitspraak om directe dwangsommen te voorkomen.