ECLI:NL:RBDHA:2024:16501
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Hanssen - Telman
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
De minister legde op 10 april 2024 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds vijfmaal eerder getoetst en concludeerde dat deze tot het sluiten van het vorige onderzoek op 30 augustus 2024 rechtmatig was.
De beoordeling richtte zich nu op de periode van 30 augustus tot 23 september 2024, toen de maatregel werd opgeheven. Eiser voerde aan dat de gronden voor de maatregel niet konden dragen, dat er geen zicht op uitzetting was, dat er geen lichter middel was toegepast en dat de minister niet voortvarend had gehandeld. De rechtbank oordeelde dat de gronden wel degelijk konden dragen en dat de verzwaarde belangenafweging tijdig en voldoende voortvarend had plaatsgevonden, mede gelet op de moeizame samenwerking met de Algerijnse consul en het gedrag van eiser zelf.
Verder was er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije, mede doordat de lp-aanvraag met dactylografische gegevens opnieuw aan de Algerijnse autoriteiten was verstrekt. De rechtbank vond ook dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om contact te zoeken met de ambassade. Er waren geen andere omstandigheden die de rechtmatigheid van de maatregel in twijfel konden trekken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.