ECLI:NL:RBDHA:2024:16531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2024
Publicatiedatum
11 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.39592
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 72 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 29 lid 1 DublinverordeningArt. 8 lid 3 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 118/2014Art. 7 lid 1 sub c Uitvoeringsverordening (EG) nr. 1560/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Kroatië in Dublinprocedure

Verzoeker, een Syrische asielzoeker, diende op 29 januari 2024 een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht. De minister verzocht Kroatië om verzoeker over te nemen, wat op 12 april 2024 werd goedgekeurd. Verzoeker stelde beroep in tegen het overdrachtsbesluit van 1 augustus 2024, maar trok dit beroep en het verzoek om voorlopige voorziening later in.

Op 7 oktober 2024 werd verzoeker in bewaring gesteld en op 8 oktober 2024 geïnformeerd over zijn geplande overdracht aan Kroatië op 11 oktober 2024. Verzoeker maakte op 10 oktober 2024 bezwaar tegen deze feitelijke overdracht en verzocht om een voorlopige voorziening om de overdracht te verbieden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het overdrachtsbesluit formele rechtskracht heeft gekregen door intrekking van het beroep. De minister had tijdig en correct overleg gevoerd met Kroatië over vluchtgegevens, die geen bezwaar maakten tegen de overdracht. Er was geen reëel risico op schending van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening of artikel 3 EVRM Pro, ook niet gelet op de aankomsttijden en de aard van de geleide overdracht.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en kende vrijstelling van griffierecht toe. Er was geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Kroatië is afgewezen wegens het ontbreken van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39592

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

10 oktober 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , geboren op [2004] , van Syrische nationaliteit, verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Verzoeker heeft in Nederland op 29 januari 2024 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft de minister niet in behandeling genomen, omdat Kroatië hiervoor verantwoordelijk wordt geacht. Hij heeft de Kroatische autoriteiten verzocht om verzoeker over te nemen. Op 12 april 2024 zijn de Kroatische autoriteiten hiermee akkoord gegaan.
Verzoeker heeft tegen het overdrachtsbesluit aan Kroatië van 1 augustus 2024 diezelfde dag beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Op 17 september 2024 heeft verzoeker zijn verzoek om een voorlopige voorziening hangende het overdrachtsbesluit ingetrokken. Op 10 oktober 2024 heeft verzoeker zijn beroep tegen het overdrachtsbesluit ingetrokken.
Verzoeker is op 7 oktober 2024 in bewaring gesteld. Op 8 oktober 2024 heeft de minister aan verzoeker middels een vluchtaanzegging medegedeeld dat hij op 11 oktober 2024 om 11:20 uur vliegt naar Kroatië teneinde te worden overdragen aan de Kroatische autoriteiten.
Op 10 oktober 2024 heeft verzoeker op basis van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan Kroatië.
Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die erop ziet dat de geplande overdracht wordt verboden.
Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht.
De minister heeft op 10 oktober 2024 een schriftelijk verweerschrift ingediend.
Gelet op de spoedeisendheid van het verzoek heeft er geen zitting plaatsgevonden

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe.
2. Het bezwaar van verzoeker is gericht tegen de feitelijke uitzetting naar Kroatië. Dit is een handeling van de minister die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met een besluit is gelijkgesteld.
3. Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij een oordeel van de voorzieningenrechter, omdat hij morgen al wordt uitgezet en hij dat wil voorkomen. Om verzoeker daarover snel duidelijkheid te geven doet de voorzieningenrechter vandaag direct mondelinge uitspraak.
4. De voorzieningenrechter beoordeelt of de belangen van verzoeker ertoe moeten leiden dat de geplande overdracht niet doorgaat. Hiervoor bekijkt zij of het de verwachting is dat het bezwaar van verzoeker tegen die overdracht, kans van slagen heeft. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure in een eventuele latere procedure niet hoeft te volgen.
5. Verzoeker stelt dat de overdracht naar Kroatië in strijd is met het recht en dat zijn rechten, die gewaarborgd moeten worden op grond van artikel 8, derde lid, van de Uitvoeringverordening [1] , miskend worden. In het claimakkoord van de Kroatische autoriteiten is aangegeven: “
The transfer should be carried out at the International Airport Franjo Tuðman in Zagreb from Monday to Thursday from 8.00 a.m. to 2.00p.m., on Friday from 08:00 a.m. to 12.00 a.m.” Eiser voert aan dat, omdat hij na 12 uur zal aankomen in Kroatië, het mogelijk is dat hij slachtoffer wordt van pushbacks en derhalve zijn overdracht een reëel risico op schending van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening danwel artikel 3 van Pro het EVRM oplevert.
6. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het overdrachtsbesluit aan Kroatië formele rechtskracht heeft gekregen, doordat verzoeker zijn beroep hiertegen heeft ingetrokken. Hiermee staat het overdrachtsbesluit in rechte vast staat.
7. De voorzieningenrechter overweegt verder dat in het claimakkoord van 12 april 2024 staat dat er verzocht wordt om de informatie over de vlucht, plaats en tijd van aankomst tijdig door te geven aan de Kroatische autoriteiten via de juiste communicatiekanalen. De minister stelt dat dit is gedaan, en dat dit blijkt uit de op 24 september 2024 opgemaakte formulieren. De voorzieningenrechter heeft de inhoud van deze formulieren geverifieerd en beschouwt de verzending hiervan als het vereiste overleg tussen lidstaten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
8. In het formulier bijlage XI aan Kroatië is de daadwerkelijke verwachte datum en tijd van aankomst vermeld, te weten 11 oktober 2024, om 13:10 uur. De minister heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de formulieren op 25 september 2024 aan de Kroatische autoriteiten zijn verstuurd. De minister heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat de Kroatische autoriteiten, naar aanleiding van de op 25 september 2024 verstuurde informatie, geen bezwaar hebben gemaakt tegen de overdracht als beschreven. De overdracht is ook niet door hen geannuleerd.
9. De minister heeft verder aangegeven dat uit informatie van Unit Dublin is gebleken dat vluchten vanuit Nederland en andere landen vaak niet voor 12.00 of 14.00 uur aankomen en dat dit nog nooit een probleem heeft opgeleverd met de Kroatische autoriteiten.
10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de geplande overdracht aan Kroatië als Dublinoverdracht moet worden aangemerkt en zo ook is aangemerkt door de Kroatische autoriteiten. Daarnaast is in de op 25 september 2024 opgemaakte formulieren aangegeven dat sprake is van een geleide overdacht. Dit is een overdracht waarbij de asielzoeker wordt vergezeld door een ambtenaar van de verzoekende staat of door de vertegenwoordiger van een daartoe door de verzoekende staat gemachtigde instantie, en aan de autoriteiten van de verantwoordelijke staat wordt overgedragen. [2] Hieruit blijkt dat verzoeker aan de Kroatische autoriteiten zal worden overgedragen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden om aan te nemen dat verzoeker niet als Dublinterugkeerder wordt gezien en dat hij niet wordt ontvangen door de Kroatische autoriteiten. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat de overdracht van verzoeker, gelet op hetgeen door hem is aangevoerd, geen reëel risico op schending van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening danwel artikel 3 van Pro het EVRM oplevert.
11. De voorzieningenrechter heeft tot slot geen aanwijzingen gezien dat hier sprake is van Bahaddar-omstandigheden.
12. Het bezwaar heeft dan ook geen redelijke kans van slagen. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
10 oktober 2024 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 118/2014.
2.Artikel 7, eerste lid, onder c, van de Uitvoeringsverordening (Verordening (EG) nr. 1560/2003).