ECLI:NL:RBDHA:2024:16556
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter in familie-kort geding
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter in een familie-kort geding, omdat de rechter niet reageerde op herhaalde vragen over de aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming tijdens de zitting. Verzoeker ervoer dit als minachting en vooringenomenheid. Daarnaast wees de rechter erop dat verzoeker eerder een aanhoudingsverzoek had gedaan dat was afgewezen, wat volgens verzoeker de schijn van partijdigheid versterkte.
De wrakingskamer oordeelde dat het niet beantwoorden van de vraag onvoldoende is om de schijn van partijdigheid aan te nemen. Ook de opmerking over het eerdere aanhoudingsverzoek wekte geen objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. De klacht over de bejegening van verzoeker valt buiten het wrakingsrecht en kan via een klacht bij het gerechtsbestuur worden ingediend.
De wrakingskamer wees het verzoek af en bepaalde dat de behandeling van het kort geding wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het wrakingsverzoek. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2024 door drie rechters van de rechtbank Den Haag.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter is afgewezen en de zaak wordt voortgezet.