ECLI:NL:RBDHA:2024:16635

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 oktober 2024
Publicatiedatum
14 oktober 2024
Zaaknummer
NL23.37844
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 VwArt. 83 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over vrees voor Al Shabaab

Eiser, afkomstig uit Marka (Somalië) en lid van de Benadiri minderheid, diende op 27 oktober 2022 een asielaanvraag in die op 13 november 2023 werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De afwijzing was gebaseerd op het standpunt dat de problemen vanwege zijn etniciteit niet zwaarwegend genoeg waren en dat zijn vrees voor Al Shabaab niet aannemelijk was.

De rechtbank oordeelt dat hoewel de problemen met zijn minderheidsstam niet leiden tot vluchtelingenstatus, de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrees voor Al Shabaab niet aannemelijk is. Eiser heeft geloofwaardig verklaard dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht van Al Shabaab stond en zelfs is aangevallen. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn, dat een zwaardere motiveringsplicht oplegt bij eerdere blootstelling aan vervolging.

Daarnaast is gebleken dat de minister onterecht heeft aangenomen dat eiser niet tot een risicogroep behoort, terwijl het beleid ten tijde van het besluit anders was dan door de minister gesteld. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt op tot een nieuw besluit binnen zes weken, waarbij de minister rekening moet houden met deze uitspraak. Tevens wordt eiser een proceskostenvergoeding van €1.750,- toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister krijgt zes weken de tijd voor een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37844

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. F. Gieskes).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 27 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 november 2023 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij behoort tot de Benadiri en is afkomstig uit Marka (Somalië). Vanwege zijn etniciteit heeft hij te maken gehad met discriminatie. Ook is hij in 2016 en 2017 door personen van een andere etnische groepering ontvoerd en afgeperst. Eiser heeft elke keer $ 1.000 moeten betalen voor zijn vrijlating. In mei/juni 2019 is hij telefonisch benaderd door Al Shabaab. Eiser werkte als visser en vervoerde wel eens ambtelijke personen van en naar Mogadishu. Al Shabaab wilde dat eiser deze personen naar hen zou brengen. Als hij dat niet zou doen, zou hij als afvallige gezien worden. Eiser heeft besloten om niet op deze opdracht in te gaan. Later zijn er, toen hij niet thuis was, leden van Al Shabaab langs geweest op zoek naar hem . Hierbij is zijn broer meegenomen. Sindsdien verbleef eiser bij een vriendin van zijn moeder. Twee stamhoofden van eisers stam zijn naar Al Shabaab gegaan om te verzoeken om de vrijlating van eisers broer. Zij zijn vastgehouden en toen weer vrijgelaten, op de voorwaarde dat eiser zich zou melden. Eiser heeft dit niet gedaan. Ondertussen was eisers vrouw zwanger en ziek. Toen hij bij haar langsging, is hij opgewacht en beschoten door Al Shabaab. Hierop is eiser in september 2019 gevlucht.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege het behoren tot een etnische minderheidsgroep;
Problemen met Al Shabaab.
Volgens verweerder zijn alle drie de elementen geloofwaardig. Eisers gestelde vrees om gedood te worden door Al Shabaab bij terugkeer naar Somalië acht verweerder echter niet aannemelijk. De vrees om gediscrimineerd te worden acht verweerder wel aannemelijk, maar niet zwaarwegend genoeg om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op wat verweerder daartoe overweegt wordt hieronder – voor zover relevant – nader ingegaan.
Behoren tot een minderheidsstam
6. Eiser stelt dat de problemen die hij ervaart omdat hij behoort tot een minderheidsstam zwaarwegend genoeg zijn om tot inwilliging van zijn asielaanvraag te komen. Hij heeft wel degelijk problemen ondervonden vanwege zijn etniciteit.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de problemen die eiser heeft ondervonden als lid van een minderheidsstam niet zwaarwegend genoeg zijn om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder merkt terecht op dat, hoewel eiser behoort tot een minderheidsgroepering, uit openbare bronnen niet blijkt dat eisers stam structureel wordt vervolgd. De positie van de Benardi is ten opzichte van andere minderheidsgroepen relatief goed. Niet is gebleken dat er sprake is van grootschalige of systematische blootstelling aan discriminatie waardoor eiser onmogelijk op maatschappelijk of sociaal gebied kan functioneren. Eiser heeft ook verklaard dat het niet om een persoonlijke kwestie ging. [1] Verder heeft verweerder terecht overwogen dat deze problemen ook niet de directe aanleiding waren voor eisers vertrek. Na de problemen heeft eiser vanaf 2017 tot aan zijn vertrek nog zonder problemen kunnen werken en in zijn bestaan kunnen voorzien. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor Al Shabaab
8. In geschil is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer te vrezen heeft van Al Shabaab. Dit is zowel in geschil bij de vraag of sprake is van vluchtelingschap als bij de vraag of eiser een risico loopt op ernstige schade. De rechtbank zal de vrees voor Al Shabaab dan ook in het kader van beide vragen bespreken.
8.1.
Eiser heeft aangevoerd dat hij in de negatieve aandacht van Al Shabaab heeft gestaan. Toen hij tijdens zijn onderduikperiode terug naar zijn huis ging, is hij immers aangevallen door Al Shabaab. Dit is ook geloofwaardig geacht door verweerder. Ondanks dat Al Shabaab niet de macht heeft in Marka, heeft eiser nog wel van ze te vrezen. Verder heeft eiser aangevoerd dat Marka een kleine stad is. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat de Benardi vooral in de oude binnenstad wonen en dat die niet groot is. Mensen weten dat eiser er niet is, daarom is er ook niet naar hem geïnformeerd.
8.2.
Volgens verweerder heeft eiser zijn gestelde vrees niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt waarom juist hij persoonlijk in de negatieve aandacht staat. Eiser heeft verklaard dat hij niet weet waarom juist hij werd benaderd en niet een van zijn mede vissers die ook overheidsfunctionarissen vervoerde. [2] Ook heeft eiser verklaard dat hij zijn dagelijks leven op normale wijze kon voortzetten. Verder heeft verweerder overwogen dat eiser nog een maand bij de vriendin van zijn moeder heeft verbleven en daarna nog enkele weken in Mogadishu. Als eiser echt in de negatieve belangstelling stond van Al Shabaab dan was de zoektocht wel uitgebreid. Verder heeft verweerder erop gewezen dat sinds zijn vertrek niet meer naar eiser is geïnformeerd. Niet is gebleken dat Al Shabaab de afgelopen vijf jaar nog op zoek is geweest naar eiser. Tot slot heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie blijkt dat Al Shabaab niet (meer) aanwezig is in Marka. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer weer te vrezen heeft van Al Shabaab.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft het relaas van eiser geloofwaardig geacht. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij door Al Shabaab op zijn eigen mobiel is gebeld. [3] Verder heeft eiser verklaard dat hij door Al Shabaab is aangevallen toen hij zijn eigen huis bezocht terwijl hij zat ondergedoken. [4] Hieruit blijkt wel degelijk dat eiser persoonlijk in de negatieve belangstelling heeft gestaan. Dat niet geheel duidelijk is waarom alleen eiser is benaderd door Al Shabaab, maakt dat niet anders. Verweerder heeft het bestreden besluit dan ook in zoverre onvoldoende gemotiveerd.
8.4.
Dat verweerder ook aan eiser heeft tegengeworpen dat sinds zijn vertrek niet meer naar hem geïnformeerd is en dat Al Shabaab niet in Marka aan de macht is, is onvoldoende om het bovenstaande motiveringsgebrek te repareren. De rechtbank wijst hierbij op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn. [5] Uit dit artikel volgt dat indien een vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, of dat hij rechtsreeks is bedreigd met vervolging of ernstige schade, dit een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Dit artikel brengt een zwaardere motiveringsplicht voor verweerder met zich mee dan bij asielaanvragen waarbij geen sprake is van een eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hier niet kenbaar aan heeft voldaan, terwijl dit wel had gemoeten. Bij de beoordeling of eiser bij terugkeer te vrezen heeft van Al Shabaab had verweerder moeten betrekken dat eiser in het verleden persoonlijk in de negatieve belangstelling van Al Shabaab heeft gestaan. Het is immers denkbaar dat door de eerdere negatieve aandacht de beoordeling van de toekomstige vrees anders uitvalt. Door enkel te wijzen op het feit dat sinds zijn vertrek niet meer naar hem is geïnformeerd en dat Al Shabaab niet meer aan de macht is in Marka, heeft verweerder niet aan de zwaardere bewijslast voldaan. Omdat verweerder deze beoordeling dient te maken, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren of om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Deze grond slaagt.
Risicogroep
9. Verder is in geschil of eiser behoort tot een risicogroep en daardoor een verhoogd risico loopt op ernstige schade.
9.1.
Eiser stelt dat hij vanwege zijn werkzaamheden door Al Shabaab wordt geassocieerd met de overheid en dat hij daardoor behoort tot een risicogroep zoals die is opgenomen in het landenbeleid.
9.2.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet behoort tot een risicogroep. Volgens verweerder moet sprake zijn van een onderscheidende dan wel hooggeplaatste rol om tot een risicogroep te behoren. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat inmiddels het beleid is veranderd en dat de volgende risicogroepen zijn aangewezen:
  • Personen die actief zijn in de politiek, te weten: verkiezingsafgevaardigden en hooggeplaatste politici;
  • Leden van het gerechtelijk apparaat;
  • Militairen van het Somalische regeringsleger;
  • Mensenrechtenactivisten en journalisten.
Eiser behoort niet tot een van de groepen. Ook hierom is geen grond om aan te nemen dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel bij terugkeer naar Somalië een risico loopt op ernstige schade. De minister heeft hierbij verwezen naar de Kamerbrief van 29 mei 2024. [6]
9.3.
De rechtbank overweegt dat het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Somalië is neergelegd in paragraaf C7/30 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Uit dit beleid, zoals dat geldt ten tijde van het sluiten van het onderzoek, volgt dat personen die werken bij, of door Al Shabaab geassocieerd worden met, de overheid, AMISOM/ATMIS of andere internationale actoren binnen het risicoprofiel vallen. Hierin is niet opgenomen dat sprake moet zijn van een onderscheidende of hooggeplaatste rol. Dit heeft verweerder wel aan eiser tegengeworpen. Ook in zoverre is sprake van een motiveringsgebrek. De stelling van verweerder dat het beleid gewijzigd is, volgt de rechtbank niet. De toenmalig staatssecretaris heeft weliswaar op 29 mei 2024 een brief verstuurd aan de Tweede Kamer met daarin de voorgenomen beleidswijzigingen. Deze voornemens zijn echter nog niet door middel van een Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire omgezet in beleid. Hierdoor is artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet van toepassing. [7] De rechtbank dient dan ook uit te gaan van het beleid zoals het gold ten tijde van het bestreden besluit. Ook deze grond slaagt. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek te passeren. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 8 dient verweerder een nieuw besluit te nemen. In dat nieuwe besluit kan verweerder, indien het beleid dan wel gewijzigd is, ingaan op het nieuwe beleid.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb. Er zijn immers meerdere motiveringsgebreken. Dit betekent dat verweerder in het nieuwe besluit moet ingaan op de geloofwaardig bevonden persoonlijke negatieve aandacht in het verleden en hoe dat doorwerkt in de beoordeling of eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging dan wel een risico loopt op ernstige schade. Omdat verweerder een hele nieuwe beoordeling dient te maken, zal de rechtbank de overige beroepsgronden van eiser niet bespreken. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank heeft hierboven al overwogen waar wordt afgezien van het toepassen van artikel 6:22 van Pro de Awb of van het in stand laten van de rechtsgevolgen. Dit omdat het aan verweerder is om te beoordelen of sprake is van vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 13 november 2023;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rapport nader gehoor p. 23.
2.Rapport nader gehoor p10, correcties en aanvullingen op het rapport nader gehoor p. 12.
3.Rapport nader gehoor p10.
4.Rapport nader gehoor p17.
5.Geïmplementeerd in artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000.
6.Kamerstukken II 2023-2024, 19 637, nr. 3254.
7.In dit artikel staat dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening houdt met wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt.