ECLI:NL:RBDHA:2024:16795
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd bij verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang en RVA-verstrekkingen
Verzoeker, een asielzoeker van Ghanese nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen een brief van het COA waarin werd medegedeeld dat de RVA-verstrekkingen en opvang per 16 oktober 2024 worden beëindigd en dat hij de COA-locatie moet verlaten. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om deze beëindiging tegen te houden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van 30 september 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en ook geen met een beschikking gelijk te stellen handeling. Hierdoor is de voorzieningenrechter onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker kon tegen deze brief geen bezwaar indienen bij het bestuur.
De uitspraak van 18 september 2024 van deze rechtbank bevestigde dat het asielverzoek van verzoeker kon worden afgewezen, waardoor het recht op opvang vier weken later automatisch eindigt. De brief van 30 september 2024 bevatte slechts een mededeling van dit rechtsgevolg en is daarom geen besluit.
Het verzoek om continuering van de opvang, voor zover dit als zelfstandig verzoek in bezwaar moet worden gezien, is nog niet door het bestuur besloten. De voorzieningenrechter verwijst naar lopende procedures en eerdere uitspraken die niet van toepassing zijn op deze zaak.
De voorzieningenrechter verklaart zich daarom onbevoegd om het verzoek te behandelen en doet geen inhoudelijke uitspraak over de aangevoerde gronden.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de brief die de beëindiging van opvang en RVA-verstrekkingen aankondigt.