ECLI:NL:RBDHA:2024:16833
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens voortvarendheid minister
Eiser is op 29 april 2024 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de bewaring tot 13 mei 2024 rechtmatig was. De minister heeft de voortzetting van de maatregel gemeld en een voortgangsrapportage overgelegd, waarop eiser heeft gereageerd.
Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend is geweest in het verkrijgen van een laissez passer bij de Algerijnse autoriteiten, ondanks herhaalde verzoeken sinds april 2024. De rechtbank overweegt dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt en dat de minister regelmatig rappelleert, laatstelijk op 10 juli 2024. Er zijn geen aanwijzingen dat de minister op dossierniveau meer had moeten doen.
Daarnaast benadrukt de rechtbank dat eiser een rechtsplicht heeft om Nederland te verlaten en dat hij onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Gezien deze omstandigheden en de uitgevoerde uitzettingshandelingen oordeelt de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank sluit aan bij haar ambtshalve toetsing en acht de maatregel van bewaring niet onrechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard omdat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.