ECLI:NL:RBDHA:2024:16833

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 augustus 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.29253
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens voortvarendheid minister

Eiser is op 29 april 2024 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de bewaring tot 13 mei 2024 rechtmatig was. De minister heeft de voortzetting van de maatregel gemeld en een voortgangsrapportage overgelegd, waarop eiser heeft gereageerd.

Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend is geweest in het verkrijgen van een laissez passer bij de Algerijnse autoriteiten, ondanks herhaalde verzoeken sinds april 2024. De rechtbank overweegt dat het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten nog loopt en dat de minister regelmatig rappelleert, laatstelijk op 10 juli 2024. Er zijn geen aanwijzingen dat de minister op dossierniveau meer had moeten doen.

Daarnaast benadrukt de rechtbank dat eiser een rechtsplicht heeft om Nederland te verlaten en dat hij onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting. Gezien deze omstandigheden en de uitgevoerde uitzettingshandelingen oordeelt de rechtbank dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.

De rechtbank sluit aan bij haar ambtshalve toetsing en acht de maatregel van bewaring niet onrechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard omdat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.29253
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,de minister
(gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

De minister heeft op 29 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 16 mei 2024 (in de zaak NL24.19401) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 13 mei 2024 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 30 juli 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Zo is er al op 4 april 2024 aanvraag om een laissez passer (lp) gedaan bij de Algerijnse autoriteiten. Eiser is van mening dat verweerder meer had moeten doen in de afgelopen vijf maanden. Een presentatie, gevolgd door wat vertrekgesprekken en schriftelijk rappelleren is onvoldoende. De minister had op dossierniveau de Algerijnen moeten vragen hoe het met de zaak staat en wat nog meer gedaan kan worden. Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Het voortvarendheidsvereiste
3. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten loopt nog. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp, laatstelijk op 10 juli 2024. Dat dit onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer niet nu de Algerijnse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De rechtbank overweegt verder dat geen specifieke omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de minister nopen om op dossierniveau te rappelleren. Het is in dit verband in hoge mate aan de Algerijnse autoriteiten en aan de minister om te bepalen hoe het diplomatieke verkeer vorm wordt gegeven. De minister heeft naast het vorenstaande op 29 mei 2024, 12 juni 2024 en 10 juli 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Op dit moment is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. Gelet op voornoemde uitzettingshandelingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toets

4. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 augustus 2024

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.