De minister van Asiel en Migratie legde op 15 augustus 2024 een maatregel van bewaring op aan eiser. De rechtbank bepaalde op 26 augustus 2024 dat deze maatregel per die datum moest worden opgeheven. De minister hief de bewaring echter pas op 27 augustus 2024 op, waardoor eiser onrechtmatig nog een dag in bewaring bleef.
Eiser stelde dat de minister willens en wetens de uitspraak van de rechtbank negeerde en vorderde een schadevergoeding, inclusief een verhoging vanwege de nalatigheid. De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een hogere vergoeding rechtvaardigden en baseerde de schadevergoeding op de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.
De rechtbank veroordeelde de minister tot het betalen van een schadevergoeding van €100 voor de immateriële schade van die ene dag onrechtmatige bewaring. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €875 aan de rechtsbijstandverlener van eiser. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.