De minister heeft op 6 juni 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder zitting.
Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije is en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, mede omdat de nationaliteit niet bevestigd werd en de minister niet recentelijk had gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Tevens stelde eiser dat de bewaring onevenredig bezwarend is vanwege overplaatsing naar een specialistische bewaringsomgeving.
De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting naar Algerije in beginsel aanwezig is, ook voor ongedocumenteerden zoals eiser. Het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten duurt nog, maar dit is niet doorslaggevend. De minister heeft op 22 augustus 2024 gerappelleerd en voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser, die niet meewerkt aan zijn terugkeer. De rechtbank concludeert dat eiser onvoldoende meewerkt en dat de minister voldoende voortvarend handelt.
De rechtbank acht de bewaring niet onevenredig bezwarend, mede gezien de medische voorzieningen in het detentiecentrum. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.