ECLI:NL:RBDHA:2024:17028

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
21 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.36823
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 2 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eisers, een Syrisch gezin met internationale bescherming in Portugal, werden op grond van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld omdat zij niet voldeden aan de terugkeerverplichting naar Portugal. De minister legde de bewaring op nadat eisers hun asielberoep hadden ingetrokken en niet vrijwillig vertrokken. De rechtbank beoordeelde het beroep nadat de bewaring was opgeheven.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen lichter middel toepaste, gezien het uitblijven van vrijwillig vertrek ondanks meerdere waarschuwingen en het feit dat het gezin tijdens een vertrekgesprek aangaf niet mee te willen werken aan de geplande vlucht. Hoewel de bewaring zwaar was voor de minderjarige kinderen, was deze relatief kort en werd rekening gehouden met de gezinssamenstelling en medische omstandigheden.

De rechtbank vond geen onrechtmatigheid in de tenuitvoerlegging van de bewaring en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.36813, NL24.36816, NL24.36819, NL24.36822, NL24.36823, NL24.36825

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1],

[eiser 1],v-nummer: [nummer 2],
[eiser 2],v-nummer: [nummer 3],
[eiseres 2],v-nummer: [nummer 4],
[eiser 3],v-nummer: [nummer 5],
[eiser 4],v-nummer: [nummer 6],
eisers,
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 25 september 2024 de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2024 op zitting behandeld. De minister is verschenen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De gemachtigde van eisers is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Feiten
Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Zij hebben internationale bescherming in Portugal. Bij besluiten van 29 mei 2024 heeft de minister hun asielaanvragen niet-ontvankelijk verklaard en eiser opgedragen onmiddellijk naar Portugal te vertrekken. Op 10 juni 2024 hebben eisers het tegen dit besluit ingediende beroep ingetrokken. Eisers hebben niet aan de besluiten van 29 mei 2024 voldaan. Zij zijn vervolgens op basis van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Eisers zijn op 25 september 2024 uitgezet naar Portugal.
Toetsingskader
2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft, na de beantwoording van gestelde prejudiciële vragen [1] , in haar uitspraak van 12 januari 2022 [2] bepaald dat artikel 59, tweede lid Vw 2000 ten grondslag kan worden gelegd aan het in bewaring stellen van derdelanders die internationale bescherming genieten in een andere lidstaat.. Artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 vereist onder meer dat “de voor terugkeer van betrokkene noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnenkort voorhanden zijn”. In artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 staat dat, indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, het belang van de openbare orde geacht wordt de bewaring van de vreemdeling te vorderen.
Heeft de minister terecht geen lichter middel opgelegd?
2. Eisers voeren aan dat de kinderen van het gezin de detentie als heel naar hebben ervaren en dat hen deze ervaring gespaard had moeten blijven. Eisers begrijpen dat de kinderen en hun moeder niet van elkaar gescheiden kunnen worden. De minister had er echter ook voor kunnen kiezen alleen de vader in bewaring te stellen en de rest van het gezin op de geplande vluchtdatum op het vliegveld. De vluchtdatum was ten tijde van het opleggen van de maatregel namelijk al bekend.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel heeft de minister erop gewezen dat eisers ondanks het op 29 mei 2024 opgelegde bevel om onmiddellijk terug te keren naar Portugal tot op heden nog niet zijn vertrokken. Eisers zijn meermaals gewezen op de eigen verantwoordelijkheid om te vertrekken en ook de plaatsing van eisers in een vrijheidsbeperkende locatie heeft tot op heden niet geleid tot zelfstandig vertrek. Verder is een eerder gepland zelfstandig vertrek geannuleerd omdat de vader van het gezin, eiser, tijdens het vertrekgesprek van 17 juli 2024 heeft aangegeven dat hij en zijn gezin niet op de eerst aangeboden vlucht op 19 juli 2024 naar Portugal zouden stappen. In dit gesprek is aan eiser meegedeeld dat dat er gekozen zal worden voor een gedwongen traject als het gezin ervoor kiest niet vrijwillig te vertrekken. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij om deze reden ervoor heeft gekozen om het hele gezin om in bewaring te stellen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom een lichter middel in dit geval niet doeltreffend zou zijn geweest. Alhoewel de rechtbank onderkent dat de maatregel van bewaring zwaar is voor minderjarigen, is de rechtbank het met de minister eens dat geen sprake is van onevenredig zware maatregelen ten aanzien van de kinderen van het gezin. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de maatregelen blijkt dat geen sprake is van medische beletselen, de gezinssamenstelling is meegewogen en dat de maatregel relatief kort, namelijk vijf dagen, heeft geduurd. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eisers verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan. [3]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.HvJ EU 24 februari 2021, ECLI:EU:C:2021:127.
3.Vergelijk ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.