Eisers, een Syrisch gezin met internationale bescherming in Portugal, werden op grond van artikel 59, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld omdat zij niet voldeden aan de terugkeerverplichting naar Portugal. De minister legde de bewaring op nadat eisers hun asielberoep hadden ingetrokken en niet vrijwillig vertrokken. De rechtbank beoordeelde het beroep nadat de bewaring was opgeheven.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen lichter middel toepaste, gezien het uitblijven van vrijwillig vertrek ondanks meerdere waarschuwingen en het feit dat het gezin tijdens een vertrekgesprek aangaf niet mee te willen werken aan de geplande vlucht. Hoewel de bewaring zwaar was voor de minderjarige kinderen, was deze relatief kort en werd rekening gehouden met de gezinssamenstelling en medische omstandigheden.
De rechtbank vond geen onrechtmatigheid in de tenuitvoerlegging van de bewaring en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Het beroep werd ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.