ECLI:NL:RBDHA:2024:17030
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel vreemdelingenbewaring en voortvarendheid uitzetting naar Marokko
De minister heeft op 15 juli 2024 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, welke door de rechtbank op 29 juli 2024 reeds rechtmatig werd bevonden. De huidige procedure betreft de toetsing van het voortduren van deze maatregel sinds 23 juli 2024.
Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko en dat de minister onvoldoende voortvarend is in de uitzettingsprocedure. Hij stelt dat hij niet kan worden verweten onvoldoende mee te werken, ondanks het ontbreken van een datum voor presentatie aan de Marokkaanse autoriteiten.
De rechtbank oordeelt dat er volgens vaste rechtspraak wel sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat geen laissez-passer zal worden verstrekt. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat eiser niet voldoende meewerkt, onder meer door weigering een vrijwilligersbrief te schrijven die de lp-aanvraag zou kunnen versnellen.
Ten aanzien van de voortvarendheid stelt de rechtbank vast dat de minister meerdere keren heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten en regelmatig vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. De minister heeft geen invloed op de snelheid van de Marokkaanse autoriteiten bij het afgeven van het laissez-passer.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig voortduurt, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.