ECLI:NL:RBDHA:2024:17060
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens vervallen verblijfsrecht
Verzoekster, met de Britse nationaliteit, ontving sinds 2021 bijstand als alleenstaande ouder. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok haar bijstandsuitkering per 12 december 2023 in en vorderde te veel betaalde bijstand terug, omdat haar verblijfsrecht was beëindigd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had dit verblijfsrecht op 12 december 2023 beëindigd en het bezwaar hiertegen op 15 juli 2024 ongegrond verklaard.
Verzoekster stelde dat zij gelijkgesteld moest worden met een Nederlander en dat zij het verzoek om voorlopige voorziening binnen vier weken na het bezwaar had ingediend, zodat zij recht had op voortzetting van de bijstand. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het ontbreken van een geldig verblijfsrecht betekent dat verzoekster niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat het verzoek om voorlopige voorziening geen rechtmatig verblijf creëert.
De voorzieningenrechter stelde vast dat er voldoende spoedeisend belang was om de intrekking van de bijstand te beoordelen, maar niet voor de terugvordering. Na belangenafweging concludeerde de rechter dat uitvoering van het besluit geen onevenredig nadeel oplevert dat zwaarder weegt dan het belang van het college. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en verzoekster heeft geen recht op bijstand vanaf 15 juli 2024.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen; de intrekking van de bijstandsuitkering blijft van kracht.