ECLI:NL:RBDHA:2024:17066
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na ongegrondverklaring beroep
Verzoeker, van Ugandese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag bij besluit van 28 augustus 2024 af als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tegelijkertijd de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 10 oktober 2024 in Utrecht, waarbij verzoeker werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Op dezelfde datum deed de rechtbank uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.34053) en verklaarde het beroep ongegrond.
Gezien de ongegrondverklaring van het beroep achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen na ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag.