Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.N. Ali),
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
“Het feit dat de incidenten plaatsvonden in 2022 toen Al-Shabaab rondom [woonplaats] enkele gebieden controleerde of probeerde in te nemen, betekent niet dat dit in 2023 ook het geval is.”Op pagina 4 van het
“Sinds 2023 staat [woonplaats] namelijk niet meer onder controle van Al-Shabaab, maar onder controle van de Somalische overheid.”Echter, uit de schriftelijke beantwoording van de minister op de vragen van de rechtbank blijkt dat [woonplaats] al sinds 2012 niet meer onder controle van Al-Shabaab staat. De minister heeft de rechtbank verzocht dit gebrek te passeren, nu enkel het jaartal foutief is vermeld. De rechtbank volgt de minister niet in dit verzoek, omdat er niet enkel sprake is van een foutief jaartal maar van een onjuist beeld over de feitelijke situatie in [woonplaats] bij de beoordeling van de asielaanvraag. De beoordeling heeft plaatsgevonden tegen de achtergrond dat eiser door Al Shabaab is bedreigd in een periode dat de overheid geen controle over [woonplaats] had. De geloofwaardig geachte verklaringen hebben zich echter afgespeeld tegen de achtergrond dat niet Al Shabaab maar de overheid al jarenlang de controle had over [woonplaats] . Dat verschil kan van belang zijn om de gestelde vrees en het gestelde risico te beoordelen omdat Al Shabaab ondanks jarenlange overheidscontrole in het gebied in staat is geweest om eiser te benaderen en te bedreigen.
“Allereerst is er de situatie waarin de staatssecretaris het geloofwaardig acht dat een vreemdeling in de negatieve aandacht staat van een actor van vervolging (zoals de autoriteiten of landgenoten). Als die negatieve aandacht is ontstaan doordat de vreemdeling uiting heeft gegeven aan zijn afvalligheid of doordat hem door de actor van vervolging afvalligheid wordt toegedicht, heeft de vreemdeling alleen al daarom een gegronde vrees voor vervolging (zie artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 10, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn). In dat geval is het dus, zoals de UNHCR ook in haar bijdrage voor de zitting in deze zaken heeft toegelicht, niet van belang of de vreemdeling daadwerkelijk als afvallige is aan te merken en dat zijn gedragingen een uiting zijn van die afvalligheid.”
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser.