De rechtbank Den Haag heeft op 22 oktober 2024 uitspraak gedaan over een verzoek van een asielzoeker om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Dit verzoek volgde op de intrekking van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
De minister had op 16 augustus 2024 alsnog een beslissing genomen, maar de rechtbank stelde vast dat de beslistermijn door een wettelijke wijziging (WBV 2023/3) met negen maanden was verlengd voor aanvragen ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024. Deze verlenging was rechtsgeldig bevestigd in een eerdere uitspraak van deze rechtbank.
Omdat de ingebrekestelling van 15 juli 2024 prematuur was, was het beroep niet ontvankelijk. Hierdoor was er geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door de minister in de zin van artikel 8:75a Awb. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot proceskostenvergoeding af als ongegrond.
De rechtbank besloot het verzoek zonder zitting te behandelen, aangezien beide partijen hiermee instemden. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier M.A. Postma.