ECLI:NL:RBDHA:2024:17145

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
22 oktober 2024
Zaaknummer
24.32225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 42 lid 4 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens verlenging beslistermijn asielaanvraag

De rechtbank Den Haag heeft op 22 oktober 2024 uitspraak gedaan over een verzoek van een asielzoeker om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. Dit verzoek volgde op de intrekking van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.

De minister had op 16 augustus 2024 alsnog een beslissing genomen, maar de rechtbank stelde vast dat de beslistermijn door een wettelijke wijziging (WBV 2023/3) met negen maanden was verlengd voor aanvragen ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024. Deze verlenging was rechtsgeldig bevestigd in een eerdere uitspraak van deze rechtbank.

Omdat de ingebrekestelling van 15 juli 2024 prematuur was, was het beroep niet ontvankelijk. Hierdoor was er geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen door de minister in de zin van artikel 8:75a Awb. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot proceskostenvergoeding af als ongegrond.

De rechtbank besloot het verzoek zonder zitting te behandelen, aangezien beide partijen hiermee instemden. De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier M.A. Postma.

Uitkomst: Het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep door een rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32225

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van zijn proceskosten. Het verzoek is ingediend nadat verzoeker zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingetrokken. De minister heeft op
16 augustus 2024 op de aanvraag van verzoeker beslist.
2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en het beroep dus niet heeft behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. Verzoeker heeft de aanvraag ingediend op 15 mei 2023. De beslistermijn zou in het geval van verzoeker op 15 november 2023 eindigen. De minister heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2023/3, de beslistermijn van asielaanvragen die zijn ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024 met negen maanden verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5087) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023/3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat de ingebrekestelling van
15 juli 2024 prematuur was ingediend, hetgeen zou hebben geleid tot een niet-ontvankelijk beroep.

Conclusie en gevolgen

5. Nu er geen sprake zou zijn geweest van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank met de beslissing van de minister van 16 augustus 2024 geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker in de zin van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank wijst het verzoek af als ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie
op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.