ECLI:NL:RBDHA:2024:17232

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
23 oktober 2024
Zaaknummer
24/18
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op handhavingsverzoek omgevingsvergunning

Eiser heeft op 19 juni 2023 een handhavingsverzoek ingediend tegen Stichting vanwege het plaatsen van technische installaties zonder omgevingsvergunning. Na ingebrekestelling en een ingetrokken eerder beroep, stelde eiser opnieuw beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat de ingebrekestelling niet is ingetrokken door het intrekken van het eerdere beroep. De waarschuwingsbrief aan Stichting wordt niet als besluit gezien, en er is nog geen last onder dwangsom opgelegd.

Daarom is het beroep gegrond en wordt het college opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag overschrijding geldt een dwangsom van €100 met een maximum van €15.000. Tevens moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek is gegrond verklaard en het college is opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/18

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigden: mr. P. Yildirim en mr. M. Remeijer-Schmitz).

Procesverloop

1. Op 19 juni 2023 heeft eiser verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen Stichting “ [stichting] ” ( [stichting] ), omdat deze op het dak van het tijdelijke schoolgebouw op het terrein aan de [adres] technische installaties heeft geplaatst zonder dat daarvoor de benodigde omgevingsvergunning is verleend.
1.1.
Op 15 augustus 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn handhavingsverzoek.
1.2.
Op 30 augustus 2023 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit (SGR 23/5691).
1.3.
Bij brief van 27 oktober 2023 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn handhavingsverzoek wordt ingewilligd en dat aan [stichting] een waarschuwingsbrief wordt gestuurd. Als [stichting] niet voor 1 december 2023 een omgevingsvergunning aanvraagt voor de technische installaties, dan zal verweerder gaan handhaven. Op diezelfde datum is de waarschuwingsbrief aan [stichting] verstuurd.
1.4.
Op 27 november 2023 heeft eiser vervolgens zijn beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit (SGR 23/5691) ingetrokken.
1.5.
Op 2 januari 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit (SGR 24/18).
1.6.
Op 28 februari 2024 heeft verweerder [stichting] een concept last onder dwangsom toegestuurd.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk?
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser verweerder eerst in gebreke had moeten stellen. Volgens verweerder kan niet worden teruggevallen op de ingebrekestelling van 15 augustus 2023, omdat die ziet op het eerdere beroep (SGR 23/5691), dat eiser heeft ingetrokken.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het intrekken van zijn eerdere beroep niet tot gevolg dat eiser verweerder daarna opnieuw in gebreke had moeten stellen vóórdat hij opnieuw een beroep niet tijdig beslissen kon indienen. Artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt aan het indienen van een dergelijk beroep slechts de voorwaarden dat het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en dat twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld. Aan beide voorwaarden is voldaan. Met het intrekken van het eerdere beroep niet tijdig beslissen is de ingebrekestelling van eiser immers niet ingetrokken. Het beroep niet tijdig beslissen is daarom ontvankelijk.
Is het beroep gegrond?
3. Op 27 oktober 2023 heeft verweerder [stichting] een waarschuwingsbrief toegezonden. Anders dan verweerder stelt, is de waarschuwingsbrief geen besluit op het handhavingsverzoek van eiser. De waarschuwingsbrief is niet gericht op enig rechtsgevolg en is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4. Op 29 februari 2024 heeft verweerder een concept last onder dwangsom verstuurd, maar ter zitting heeft verweerder bevestigd dat nog geen last onder dwangsom is opgelegd.
Dit betekent dat er nog steeds geen besluit is genomen op het handhavingsverzoek van eiser. Het beroep niet tijdig beslissen is daarom gegrond.
Termijn voor besluit en dwangsom
5. Gelet op artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het handhavingsverzoek te nemen. Aan overschrijding van die termijn zal de rechtbank een rechterlijke dwangsom verbinden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187, - aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Ciftci-Ibis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.